De lamheid te lijf

Al meer dan een halve eeuw is de dichter H.H. ter Balkt trouw aan hetzelfde thema: het boerenleven. Woensdag ontvangt hij de P.C. Hooft-prijs 2003 voor poëzie. ,,Woede is mijn drijfveer.''

`Alles is doorgang./ Alles is ijlen./ Alleen de passage/ is blijvend', schrijft de dichter H.H. ter Balkt, winnaar van de P.C. Hooft-prijs voor poëzie, in `Waterloo Station, Londen'. Hij is de zanger van vergankelijkheid, van het voorbijgaan. Het besef van tijdelijkheid van het bestaande zit diep geworteld in zijn werk. Ook als hij spreekt komen vergelijkbare zinnen aan bod, zoals de opmerking die hij maakt, turend naar enkele takken van een es in een vaas op de vensterbank, dat `alles ijlings is'. Maar zodra woorden als `heimwee' of `nostalgie' zich dreigen aan te dienen, deinst Ter Balkt terug. Hij zoekt naar andere, minder simpele begrippen om deze durende teloorgang te verwoorden. Hij zegt: ,,Ik dicht niet uit heimwee, dat is het juiste woord niet. Mijn verleden in het boerenland heb ik lief en tegelijk ook niet lief. Ik bemin en bemin niet, zoals Catullus zegt. Het boerenleven kent ook die tegenstelling: het is zowel arcadisch als rauw. Ik ben me bewust van het verval, vooral ook van het eigen verval. Vorig jaar struikelde ik plots, ik weet nog steeds niet waarom. Ik kwam in een rolstoel terecht. Dat was een angstaanjagende ervaring.''

H.H. ter Balkt (Usselo, 1938) debuteerde in 1969 met de bundel Boerengedichten onder het pseudoniem Habakuk II de Balker. Deze Habakuk is een oudtestamentische profeet die heil voor de mensheid predikte. Zowel met deze dichtersnaam als met de titel profileerde Ter Balkt zich nadrukkelijk als een telg uit een oud Twents boerengeslacht. Zijn moeder was een boerendochter en zijn vader `een procuratiehouder, maar hij noemde zich kantoorman, hij was bescheiden'.

In de loop van meer dan een halve eeuw dichterschap is Ter Balkt zichzelf en zijn thema's op verbluffende wijze trouw gebleven. De omvangrijke bloemlezing In de waterwingebieden (2000; 2003) omspant een poëtisch oeuvre van 1953 tot 1999. Misschien zijn de allereerste gedichten, gepubliceerd in een cahier dat Electronen heet, nog romantisch-symbolistisch van toon, met Boerengedichten vindt Ter Balkt meteen zijn onvervangbare stijl: wat wrokkig en tegelijk overrompelend, op korzelige wijze lyrisch en vrijgevig, gevoelig met een harde kern van boze onvrede. Lees maar hoe hij met een van de meest romantische gedichten uit de West-Europese poëzie, namelijk `Wandrers Nachtlied' van Goethe, korte metten maakt: `Über allen Gipfeln ist ratata/ Sprookjes/ roken kalmpjes in de wouden./ Oude hutten!/ Van kolenbranders!' En elders in hetzelfde gedicht: `Ik klaag jullie aan zangers van liederen/ mompelaars van spreuken, orakels in de doolhof!/ Ik ben salpeterzoeker van mijn vak welk oud ambacht/ ik bekleed met een varkenskop bekleed.' Hij noemt poëzie `een vrolijke vlag die wappert boven de woede'.

Wasmiddel

Ter Balkt is met niemand vergelijkbaar. ,,Ik dicht uit traditie'', zegt hij. ,,Dat klinkt in Nederland als een scheldwoord. We hebben geen besef van traditie, we houden niet van onze geschiedenis en niet van onze taal, die elke keer vernieuwd moet worden. Maar taal is geen wasmiddel. Woede is mijn drijfveer, wrok, zelfs rancune. Nederland is een land van lauwheid en louter onverschilligheid. De mond- en klauwzeerziekte, de varkenspest en nu weer de vogelpest: het zijn allemaal gevolgen van de verschrikkelijke verstedelijking van dit land en de laksheid van burger en overheid. `Wat maakt het uit', is hier de meest gehoorde uitdrukking. Alles gaat alsmaar kapot. Dat kapotgaan komt door het zwijgen en verzwijgen.''

Het woonhuis van Ter Balkt in Nijmegen gaat schuil achter dicht geboomte. Maar in een dichtgebouwde woonwijk als deze wordt een dergelijke omsingeling van groen aan voor- en achterzijde eigenlijk niet getolereerd. ,,Onlangs nog werden hier een paar Japanse kersen omgehakt omdat bewoners bang waren dat de takken bij storm zouden afbreken en hun auto beschadigen. Bang voor storm terwijl er geen zuchtje wind is. Dit land moet wel geregeerd worden door mensen van beton. Wie verzint het nu om sierpluimvee in kratten langs de weg te zetten, opdat de dieren opgehaald kunnen worden ter vernietiging.''

Hoewel Ter Balkt en zijn vrouw ooit door Geert Lubberhuizen, vroegere directeur van De Bezige Bij, een huis in Amsterdam aangeboden kregen, nog wel aan het IJ, zijn zij trouw aan het oosten gebleven. Daar had Ter Balkt werk als onderwijzer, aanvankelijk in Drenthe en later in Nijmegen. ,,Poëzie is een wankele basis'', zegt hij. ,,Als je alleen bent, kun je een interessant leven gaan leiden en zwerver worden. Maar wij waren inmiddels met zijn drieën en je kunt vrouw en kind niet zomaar in de steek laten. Je moet voor elkaar zorgen. De reden dat we niet naar het westen trokken had te maken met de geringe bestaansmogelijkheid voor ons daarginds.''

Hij voegt er aan toe: ,,Misschien is het een teken van gebrek aan talent dat ik geen westerling wilde worden. Ik was bang mijn talent kwijt te raken. Maar waarom dat in een grote stad als Amsterdam eerder zou gebeuren dan hier in het verre Nijmegen, weet ik ook niet. De verbondenheid met het Twentse landschap en ook met de omgeving van Nijmegen is belangrijk voor me. Net zoals de eenheid tussen mens en natuur. Die ervoer ik in mijn vroege jaren als vanzelfsprekend. Ik ben dichter uit behoefte aan samenhang. Iedereen heeft als basis het verlangen naar je jeugd, je vroegste herinnering. Dat is mijn bron. Daar komen op zijn tijd hardheid en diepste overtuiging bij, want met sentiment is niemand gediend. Veel dichters zijn me te lieflijk. Het boerenland kent ook zijn schaduwzijde. Van de akkers komen de grote `onthalzers'. Een gedicht moet duidelijk zijn, het moet schitteren zoals het Twentse landschap van vroeger schitterde.''

Titels van Ter Balkts bundels als Uier van t oosten (1970), De gloeilampen, De varkens (1972), Groenboek (1973) en Tegen de bijlen (1998) bezorgen hem doorgaans de naam van een dichter die zich verzet tegen de stad en het stadse leven. Hij wil dat beeld hartgrondig ontkennen: ,,Ik ben geen vijand van de stad, ik ben helemaal niet van mening dat we de steden moeten vol zaaien met rogge. Op het platteland gebeurt niets, wel in de stad. Ik houd van Amsterdam en ook van het oude, vooroorlogse Nijmegen met het prachtige station. Dat is weggebombardeerd. Ik houd niet van geluidswallen, wel van echte steden. Maar voor mij is het land nu eenmaal de plaats waar het allemaal begonnen is. Met de poëzie, met mijn eerste overweldigende ervaringen. Ik hang aan mijn vroegste herinneringen, zoals een jong kind uit de stad zijn of haar herinneringen aan de straat in die stad zal koesteren. Het zijn beelden die onvergankelijk zijn. Dat is de werkelijke impuls van het dichterschap; prilheid, die allereerste ontvankelijkheid.''

Zijn Twentse jeugd noemt de dichter `paradijselijk'. ,,Ik leefde in een luilekkerland, ook mentaal was je vrij in die boerengemeenschap. Ik beschouw die dorpen van Twente, zoals Boekelo en het ertegenaan gelegen Usselo, als socialistische enclaves in de pure betekenis van het woord. Mensen stonden elkaar nabij, er was nabuurschap en men nam je zoals je was. Dat heeft mij in mijn poëtische overtuiging gesterkt. Ik hoor nergens bij en het is in bepaald opzicht onthutsend te beseffen dát ik alleen sta. Misschien heeft dat te maken met de plaats van de hoeve waar ik vandaan kom, een plek `aan 't eind van de zandwegen./ Waar de hagelkorrel niet doodt', zoals ik in een van mijn gedichten zeg. Ik leefde daar in een geheel eigen, besloten wereld.

,,De ontdekking van de poëzie was in die vroege jaren vijftig overweldigend. De bloemlezing Nieuwe griffels, schone leien van Rodenko, de Vijftigers-bloemlezing Atonaal of Gerrit Achterberg met zijn vroege bundels als Stof en Cenotaaf. Met de debuutbundel Boerengedichten wilde ik een stormwind zijn. De warmte en het elan moesten terug in de poëzie. Ik wilde aan de dichters in de hoofdstad laten zien wat ik kon, waar ik voor stond, maar vooral luidkeels tonen hoe het moest. Ik wilde de lamheid te lijf. Iedereen is maar voorzichtig, want anders breekt het lijntje. Bezieling is hier verboden. Dat geldt ook voor de poëzie. Ik moet zeggen dat ik een arme drommel uit het oosten was toen ik debuteerde, dus veel geld om poëzie te kopen had ik niet. Je moest per slot ook tabak aanschaffen. Toen ik met mijn HBS-klas in Parijs terechtkwam en daar de bouquinistes langs de kades zag staan, vermoedde ik dat zich in die kisten schatten verscholen hielden.''

Een hoogtepunt in Ter Balkts oeuvre is de inmiddels tot drie delen uitgegroeide reeks Laaglandse hymnen, waarin hij de vaderlandse geschiedenis vanaf de prille steentijd tot in de negentiende eeuw in strak vormgegeven verzen opmerkelijk genoeg zijn het sonnetten bezingt. De befaamde `Overwintering op Nova Zembla' gaat in zijn stijl vol beeldspraak en metafoor als volgt: `IJs eindigt. Bouwden ginds Behouden Huis van/ aangespoelde stammen, wortels hoog, omringd/ door brokken van poolvossen, beren. Stenigden/ langzame vogels, legden steenkoolvuur aan dat/ met zijn rook ons haast wurgde. IJselijk was/ geloop van beren 's nachts op het dak'.

,,Die kracht'', verklaart Ter Balk, ,,is het kenmerk van mijn poëzie. Het is de verbindingslijn met het verleden, het reservoir van de oneindigheid der dingen waar ik in mijn jeugd deel van uitmaakte. Het heeft te maken met de kracht van het landschap waar de mensen vaak niet tegen bestand waren, zo overweldigend kon dat zijn. Ik put uit de stokoude bronnen, niet alleen uit mezelf, uit mijn eigen verleden, ook uit het besef dat ik tot een groter geheel behoor. Tijdens het schrijven van gedichten gaat er altijd iets buiten je om, iets dat zich stilzwijgend voltrekt. Kijk, als de essentakken die daar staan geen wortels krijgen, kan ik ze niet in de grond zetten. Wat geen wortels krijgt, moet je weggooien. Mijn poëzie is aardgebonden, maar dan zonder alle connotaties die dat woord oproept. Ons eten komt van het land. Maar er is meer. Ook het metafysische speelt een rol, het ongewisse en onbestemde. Daarom behoort de dichter zowel de aarde als de hemel toe. Of, zoals Joseph Brodsky zegt, `de dichter is de vaste bespeler van de oneindigheid' ''.

Dialect

Hij zegt: ,,Zonder dat ik nu een pleidooi houd voor het dialect, wil ik er graag op wijzen dat ik me laat inspireren door etymologische en ook Twentse woordenboeken. Een woord als `belmeunig' bijvoorbeeld betekent wrak, vervallen. Het komt oorspronkelijk van het Middelnederlandse `belmondig', het bestendigt de band met mijn verleden. Poëzie moet rijk zijn. Alle woorden kunnen in een gedicht terechtkomen, behalve onzinwoorden en die uit de leerboeken der kakelaars. Ik houd niet van het hoogdravende. Ik moet altijd glimlachen als ik Marsman lees die het heeft over `het Ik en het heelal'. We weten niks van het heelal, hoogstens weten we iets van de oprit erheen.''

Hoewel de gedichten van Ter Balkt rijk aan alliteraties zijn, is de dichter zelf de eerste die zichzelf beperkingen oplegt. Ter Balkt: ,,Poëzie moet altijd in beweging zijn. Ik vind het steeds moeilijker te zeggen wat poëzie nu precies is, er zijn zoveel theorieën over, maar het wonder, het wezen, laat zich niet verklaren. Soms komen ze te snel, de alliteraties en rijmwoorden, en dan moet ik ze doodklappen. Dan komen ze met z'n drieën ongevraagd terug. Liggen die medeklinkers weer te slabakken, een `l' hier en de `k' en nog eens de `k'. Ik wil dat niet en moet krachtig optreden.''

Behalve etymologische en dialectboeken raadpleegt Ter Balkt regelmatig de encyclopedie. Wiskundige en scheikundige formules, natuurkundige begrippen oefenen een grote fascinatie op hem uit. Die combinatie van poëtische en op het eerste gezicht niet-poëtische woorden is geslaagd in het gedicht `Draadjes' uit de bundel Ode aan de grote kiezelwal (1992). ,,Dat gedicht'', legt Ter Balkt uit, ,,gaat over de angst je geestelijke vermogens te verliezen. Dat de draadjes in je hoofd knappen. In dit gedicht staan de draadjes in iemands hoofd gelijk met de draadjes in een gloeilamp, en knappende draadjes zaten er ook in het ruimtevaartschip de Challenger dat neerstortte. Zo verbind ik het grote met het kleine''.

`Draadjes' kent indringende strofen als: `Toen die reiskoets uiteenvloog die meen/ ik Challenger heette, nog maar een klein/ klein eindje onderweg op de blauwe inrit/ naar het heelal, koets zonder paarden// stortten de teugels neer van draadjes'.

Ter Balkt gebruikt graag uitroeptekens, imperatieven; hij spreekt ons aan. Hij zegt: ,,Poëzie moet spannend zijn. Ik houd van de Portugese dichter Camoës en van de Duitse romantische dichter Friedrich Hölderlin. Hun canto's bezingen gefantaseerde of ware heldendaden. Hölderlin sprak de oude bevlogenheid voort, de vervoering. Zij geloofden, net als de Grieken, in Toeval, in dat wat wij niet weten. Ik hecht aan toeval en inspiratie. Poëzie speelt zich af in een grensland, tussen slaapwandelen en waken, tussen twee en misschien wel meer werelden. Voor mij is een gedicht een elektronenstroom van taal, klank, betekenis en vonken.''

Van H.H. ter Balkt zijn bij De Bezige Bij verschenen: `In de waterwingebieden. Gedichten 1953-1999', €44,90; `Laaglandse hymnen 1-3', €22,50; `Tegen de bijlen', €14,75.