Brandend van devotie in slaap gesukkeld

Een kathedraal in woorden, zo is Die geestelike Brulocht, een van de traktaten van de mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381), genoemd. Aan de basis ligt een bijbelcitaat: `Siet, de brudegom comt; gaet ute hem te ontmoete' (Mattheüs 25:6). In de beste traditie van de middeleeuwse preekkunst verdeelt Ruusbroec het citaat in drie stukken en verbindt elk met een weg naar geestelijke perfectie: het werkende (of beginnende), het begerende (of voortgaande) en het godschouwende (of volmaakte) leven. Op dit fundamentele onderscheid bouwt hij zijn verhandeling, daarbij evenzoveel nieuwe onderscheidingen makend als er gewelven, kruisribben en sluitstenen zijn in een gotische kerk.

Ruusbroec – hij kwam uit het dorpje Ruisbroek – schreef de Brulocht als kapelaan van zo'n gotische kerk: de Sint-Goedele in Brussel. Hij trad er in de voetsporen van een oom die er eveneens kapelaan was en bij wie hij reeds op elfjarige leeftijd was ingetrokken. Later vestigden Ruusbroec, zijn oom en enkele anderen zich buiten de stad, in het Zoniënwoud. Hun kluizenaarswoning groeide uit tot het klooster Groenendaal. Ruusbroec werd er geestelijk leider of prior.

Als kapelaan in Brussel had Ruusbroec het niet breed. Gelukkig genoot hij aanvullende inkomsten uit eigen bezit, waardoor hij tijd overhield voor studie, zelfstudie welteverstaan, want zijn opleiding aan de kapittelschool kreeg geen universitair vervolg. Maar hij hoefde zijn licht niet onder de korenmaat te steken. In de bibliotheken van het Sint-Goedelekapittel en van het minderbroederklooster had Ruusbroec toegang tot boeken met teksten van de grote godsdienstige auteurs van zijn tijd: Bernardus van Clairvaux, Willem van Saint-Thierry, Richard van Sint-Victor en – vooral voor zijn mystieke vorming van groot belang – de franciscaan Bonaventura, aan wie hij onder meer de bovengenoemde drieslag ontleende. En er waren ter plaatse voldoende geleerde priesters en paters om zijn inzichten mee te bespreken, zoals er ook een publiek was dat zich met hulp van zijn teksten geestelijk schoolde: clerici uiteraard, maar ook leken, onder wie een niet gering aantal vrouwen. De verhuizing naar Groenendaal maakte aan zulke contacten geen einde. Van heinde en ver kwam men de mysticus bezoeken, en door brieven en afschriften van zijn traktaten bleven volgelingen ook op afstand van zijn denkbeelden op de hoogte.

Schrijven over mystiek, over de directe ervaring van Gods aanwezigheid, over de vereniging met Hem nog tijdens dit leven, is een zware opgave. Allereerst voor mystici zelf. Ze moeten onder woorden zien te brengen wat zich naar hun diepste overtuiging aan het menselijk vermogen tot begrijpen en uitdrukken onttrekt. Maar ook de moderne interpreten die hun teksten inzichtelijk willen maken staan voor een lastige taak. Mystieke teksten, zeker die uit de Middeleeuwen, zijn doortrokken van religieus gedachtegoed dat zich vanwege de afstand in tijd en taal moeilijk laat doorgronden.

Bezaten de meeste mystici uit de aard van hun werk een klerikale achtergrond, van oudsher zijn ook degenen die over hen schrijven nauw met de kerk en het geloof verbonden. In de studie van de mystieke literatuur ligt navenant de nadruk op theologie en spiritualiteit, waarbij de meeste onderzoekers schrijven voor ingewijden die het jargon beheersen. Dat leidt niet zelden tot teksten die even ondoorzichtig zijn als de geschriften die men tracht te doorzien.

Daarmee vergeleken is de biografie van Ruusbroec door de Leidse neerlandicus en mediëvist Geert Warnar een toonbeeld van helderheid. Dat ligt in de eerste plaats aan de rustige, fijnzinnige schrijfstijl van de auteur. Het heeft ook te maken met de evenwichtige opbouw van dit boek, dat de lezer in zes hoofdstukken van vrijwel gelijke omvang door het leven van de mysticus voert. Ruusbroecs oeuvre is omvangrijk en er is veel over hem en zijn mystiek geschreven. In plaats van dat alles uitputtend te behandelen, biedt Warnar zijn lezers een verzameling korte, indringende, bij vlagen bijna impressionistische schetsen naar aanleiding van een feit (of onduidelijkheid) uit Ruusbroecs leven, een passage of begrip uit zijn werk, een wetenschappelijk twistpunt. Dat maakt het boek afwisselend en mede daarom toegankelijk voor een meer dan alleen geleerd of religieus publiek.

Nog een verdienste is dat Warnar Ruusbroecs werk als literatuur bespreekt, als het oudste Nederlandse kunstproza. Hij heeft een auteursbiografie geschreven, die Ruusbroec huldigt als de man die voor de Nederlandse literatuur deed wat Eckhart voor de Duitse en Dante voor de Italiaanse deden: de cultuur van de professionele geletterdheid in het Latijn openbreken door te gaan schrijven in de volkstaal, en zo een nieuw publiek in aanraking brengen met de wereld van theologie en spiritualiteit. De wijze waarop de mysticus zijn teksten structureert, zijn stijl, woordkeuze en beeldgebruik, krijgen veel aandacht. Ruusbroecs literatuuropvatting is affectief; hij probeert bij zijn lezers gevoelens te evoceren. Zijn `bouwwerken' laten, om de architectonische beeldspraak weer op te pakken, niet alleen het grijs van stenen zien maar ook de felle kleuren van muurschilderingen en gebrandschilderd glas. Hoezeer het raamwerk van zijn traktaten ook de sporen vertoont van wetenschappelijke studie of scientia, hun invulling en verwoording ademen op ervaring stoelende wijsheid of sapientia.

Ruusbroecs levensverhaal wordt parallel aan zijn werk besproken, omdat het laatste de feiten en omstandigheden van dat leven zo treffend spiegelt. Niet door Ruusbroecs denkbeelden te simplificeren maar door ze te beschrijven in het licht van diens biografie worden ze doorzichtiger. De rode draad door Warnars verhaal is dat Ruusbroec zijn mystieke leer niet ontwikkelde in het spirituele isolement van de goddelijke openbaring maar in het contact met de wereld om hem heen. Hij wil Ruusbroec zijn aardse gestalte teruggeven, hem voorstellen als mens van vlees en bloed. Dat mag een obligaat streven lijken voor een biograaf, in het geval van deze mysticus heeft het lange tijd minder voor de hand gelegen. Het ging immers om een bijna-heilige die, op weg naar definitieve canonisatie, in 1908 zalig werd verklaard.

Aan Warnar de taak feit en fictie te scheiden. Dat leidt tot mooie observaties. Zo was Ruusbroec al op leeftijd toen hij eens vanuit Groenendaal ging wandelen in het Zoniënwoud en verdwaalde. Bezorgde medebroeders zochten het halve bos af voordat ze hun prior vonden, onder een boom die in brand leek te staan door het vuur van zijn devotie. Althans dat meldt Ruusbroecs eerste – middeleeuwse - biograaf Henricus Pomerius. Die verklaart het voorval hierdoor dat Ruusbroec verzonken was in contemplatie en de wereld om zich heen vergat. De plek waar men hem aantrof zou in de zestiende eeuw uitgroeien tot een heus bedevaartsoord. Zo sorteerde Pomerius' uitleg precies het effect dat hij beoogde: Ruusbroec voorstellen als een man op wie niet minder dan de dauw van de goddelijke genade was gevallen. Hij zou, om een andere bewonderaar te citeren, een `claer verlicht man' zijn geweest.

Van Pomerius' Latijnse relaas bestaat ook een Middelnederlandse vertaling. Die zinspeelt op een veel prozaïscher reden voor Ruusbroecs kortstondige verdwijning: ouderdom en – zo is de moderne lezer geneigd aan te vullen – vergeetachtigheid. Het zijn zulke ontnuchterende lezingen van de bronnen die Warnars biografie kenmerken. Maar er blijven na zijn deconstructie van het oude Ruusbroec-beeld niet louter scherven achter. Integendeel, hij stelt er een nieuw, menselijker portret tegenover, dat zo wat dichter bij dat van die andere, meer geliefde mystieke auteur uit de Lage Landen komt: Hadewijch. De twee hebben meer gemeen dan de onderzoekers ons hebben doen geloven. Je zou wensen dat Warnar ook háár biografie ging schrijven.

Geert Warnar: Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 398 blz. €34,95