Angst

Twaalf jaar geleden liepen wij met de familie over de dierenmarkt in Luik, toen wij een kartonnen doos passeerden waarin zich een kleine hond bevond – een puppy nog, die zich behaaglijk uitstrekte als je haar aaide. Mijn dochter wilde het dier onmiddellijk mee naar huis nemen, een wens die tot mijn ontzetting werd ondersteund door mijn toenmalige vrouw. Ik protesteerde uit alle macht, want zelf zag ik niets in een hond. Honden beschouwde ik als smerige wezens, die een spoor van drek achterlaten. De gedachte dat een aangelijnde hond mij zou meeslepen langs de vuilnisbakken vervulde mij met weerzin en die maakte ik luid kenbaar.

Een uur later reden wij naar huis. Op de achterbank zat mijn dochter met de kleine hond in haar armen.

De belofte dat ik niets met de verzorging van het dier te maken zou hebben, hield vrij lang stand. Het dier leefde zo'n beetje langs mij heen en als het maar niet al te enthousiast tegen mij opsprong, vond ik het best. Maar de situatie veranderde toen zich enige mutaties in de familie voordeden. Mijn toenmalige vrouw vertrok in een wolk van onenigheid en weer een paar jaar later ging mijn dochter op kamers wonen. Die avond kwam ik thuis in een stille woning.

En daar zat de hond.

Zij, het was een teefje, hield haar kop schuin en keek mij aan. ,,Jij gaat morgen naar het asiel'', zei ik, terwijl ik zo'n onwelriekend blik hondenvoer opendraaide. Maar om de een of andere reden werd de gang naar het asiel uitgesteld. Wel liep ik de volgende dag, en de dagen daarna, achter een aangelijnde hond en moest ik beschaamd toezien hoe het dier met gekromd achterlijf zijn behoefte deed. Ik voelde mij een soort Walter Matthau, zo'n mopperende vrijgezel, onhandig in de menselijke omgang, die was opgescheept met een verantwoordelijkheid waar hij nooit om had gevraagd. Het leek trouwens wel of ook de hond die films van Walter Matthau kende, want zij deed er alles aan om mijn hart te ontdooien. Kreeg ze eten, dan was ze altijd dankbaar. Sprak ik haar aan dan luisterde zij toegewijd en voelde ik mij verdrietig dan kwam zij naast mij zitten en likte mijn hand. Elke volgende morgen zou ik haar naar het asiel brengen, maar dat was op den duur niet vol te houden.

Zonder morren accepteerde zij nieuwe mutaties in de familie. Toen er weer een kind kwam, legde zij zich te slapen onder het wiegje. Vermoedelijk voelde zij zich de moeder, die zijzelf nooit was geworden. De nieuwe telg mocht alles met haar doen, ook als zij aan haar staart of aan haar oren werd getrokken. Inmiddels is zij twaalf jaar. Dat is naar mensenmaatstaven een pensioen gerechtigde leeftijd. Onze hond wordt nu grijs.

De laatste tijd zie ik bij haar een verandering van binnenuit. Voor die verandering ken ik maar één woord: angst. Het lijkt wel of zij voor alles bang aan het worden is. Het is begonnen met het vuurwerk op oudejaarsavond, maar de paniek die toen bezit van haar nam, is vanuit het hondenbrein beschouwd nog heel verklaarbaar. Helaas is het niet bij vuurwerk gebleven. Zo maakt het gefluit van vogels in de morgen haar ontzettend bang. 's Ochtends om zes uur bij het eerste gekwinkeleer begint zij overal te graven, vermoedelijk in de hoop dat zij zich kan verstoppen in een hol. Vooral het gekras van kraaien kan haar tot wanhoop brengen. Soms ben ik haar uren lang kwijt en vind ik haar trillend van angst onder in een klerenkast. Wat zich met het gekwetter van de vogels in de morgen aankondigt, valt niet onder woorden te brengen, maar verontrustend is het wel.