Red het bèta-onderwijs van de ondergang

Wiskunde staat in laag aanzien bij de gemiddelde scholier. Dat heeft zijn weerslag op de docent. Een cultuuromslag is hard nodig want zonder wiskunde geen natuurkunde, biologie, medische wetenschap en economie, betoogt Dirk van Dalen.

Er is sprake van een ernstige crisis in het bèta-onderwijs. Het onderwijs in de bètavakken staat onder zware druk. Van echt afschaffen zal het niet komen, maar aan de vakken wordt wel flink geknabbeld. Zo heeft het wiskunde-onderwijs in het vwo fors aan uren moeten inleveren en is natuurkunde uit het pakket Natuur en Gezondheid geschrapt. Het lijkt er haast op dat men zich moet verontschuldigen als men wiskunde beoefent.

De bètawetenschappen hebben een dubbele rol: die van autonoom gebied, beoefend ter wille van het inzicht in het vakgebied, en die van dienstverlener, hetzij van de industrie, hetzij van andere vakgebieden.

Het eerste aspect valt onder zuivere wetenschap – een onbaatzuchtig zoeken naar nieuwe verschijnselen en tegelijkertijd een versteviging van de fundering. Dit aspect van de bètawetenschap heeft het al decennia moeilijk. Vooral politici en beleidsambtenaren hebben uit den treure de universiteiten voorgehouden dat zij meer moeten samenwerken met de industrie, meer kortetermijn- en op de praktijk gericht onderwijs en onderzoek moeten plegen.

De grote afnemers van bèta-afgestudeerden bleken echter veel genuanceerder te denken. Geef de student een degelijke theoretische opleiding, zodat hij of zij beschikt over het intellectuele materiaal waarmee hij het de rest van zijn leven moet doen. De kneepjes van het industriële onderzoek brengen wij onze mensen wel bij, wordt daar gedacht. Juist de grote technisch-wetenschappelijke industrieën weten maar al te goed dat in de theorieën die louter uit een behoefte tot weten ontwikkeld zijn, vaak de kiemen van belangrijke industriële toepassingen schuilen.

Zuiver, ongebonden onderzoek is dus zowel een culturele plicht, als een waardevolle belofte voor nut. En daarom moet, althans in universitaire kring, een overheid die alleen oog heeft voor industriële toepassingen met wantrouwen bezien worden.

Zijn er dan geen plaatsen waar toepassingen de toon aangeven? Zeker, het hbo bijvoorbeeld. Maar zelfs de technische universiteiten ontwikkelen een goeddeels zuivere theorie, en dat moet ook. Theorie, en dan zijn we al bij de wiskunde, is nodig voor toepassingen. Zonder theorie, hoe rudimentair ook, speelt de experimentator voornamelijk blindemannetje.

Onder bètavakken heeft de wiskunde zo ongeveer de slechtste reputatie, zowel bij de leerling als bij de overheid. Hiertegenover staat dat `wiskunde moet'. Zonder wiskunde geen natuurkunde, biologie, medische wetenschap en economie. De wiskunde is als het ware de wetenschap die onder de andere wetenschappen ligt, het is het structurerend vermogen van de mens, beoefend in de klinisch heldere hallen van ons denken.

De reden dat wiskunde desondanks niet bepaald populair is bij de schoolgaande jeugd heeft te maken met zowel de consumenten als met de leveranciers van onderwijs te maken. Maar wellicht het meest met de sociaal-culturele belevingswereld. De leerling is al jaren gewend aan de leuze `wat je niet leuk vindt, hoef je niet te doen'. Maar wiskunde, zoals menige sport, ga je pas al doende en na gepaste inspanning leuk vinden. Bovendien is de algemeen gepropageerde bewondering van `beleid maken', `aansturen' en het grote geld, niet bevorderlijk voor de hoge eisen die de bètavakken stellen aan zelfbeheersing, reflectie.

De docent verkeert in een nog veel moeilijker positie dan de leerling. Men mag aannemen dat hij zijn vak gekozen heeft uit interesse, zo niet liefde. Maar het enthousiasme van de kersverse docent is niet altijd bestand tegen de praktijk van alle dag, tegen de regelgeving, de verwatering van de leerstof, de schouderophalende leerling, de ongeïnteresseerde overheid. Iedere docent heeft die veelkoppige monsters op zijn pad gezien, en enthousiasme slijt onder frustratie.

Het is de hoogste tijd voor een cultuuromslag ten gunste van `kennis is macht'.Niet in de banale politieke zin, maar in de zin van kennis is een noodzakelijke voorwaarde voor het instandhouden en verbeteren van de wereld en de mensheid, kennis helpt ons de natuur te beheersen – en niet als tegenstander die er onder gehouden moet worden, maar als vriend en bondgenoot. Kennis is niet te vervangen door goede bedoelingen. Handelen uit onwetendheid is gevaarlijk. Wie zijn geografie niet kent wordt door de natuur gestraft, en wie de economie niet wenst te kennen wordt beloond met een Betuwelijn.

Voor de broodnodige cultuuromslag zijn docenten onmisbaar. Zij moeten in het bezit gesteld worden van de werktuigen die onontbeerlijk zijn, te weten de overtuiging van de waarde van hun vak en de expertise die de basis is van de uitstraling naar de leerling. Wanneer de docent door het systeem zijn glans verloren heeft, kan niet verwacht worden hij aan de leerling het soort verliefdheid op een vak doorgeeft die een voorwaarde is voor de succesvolle student – succesvol in de zin dat deze zich het onderwerp eigen maakt. De charismatische docent moet alle ruimte krijgen. Zo iemand is niet te vervangen door een computer. Want de computer kan de liefde voor het vak niet brandend houden en doorgeven: dat kan alleen de charismatische docent.

Voordat een boze macht (ongetwijfeld op grond van een `doortimmerd advies') de MO-opleidingen bij de universiteiten sloot, werden studenten die gerekend konden worden tot de goede middelmaat vaak eerste of tweedegraads docent, maar met een echte expertise in het vak. Dat met één pennenstreek de bètavakken hun traditionele achterban kwijt raakten, is voor het docentenkader een tragische slag geweest. Niet omdat hierdoor de instroom terugliep, maar omdat de maatschappij en het onderwijs behoefte hebben aan gezaghebbende docenten met uitstraling. Het zou méér dan wenselijk zijn indien de tweedegraads opleiding weer terug komt bij de universiteiten.

Het universitair wiskunde-onderwijs kan de internationale toets der kritiek ruimschoots doorstaan. Echter, de faculteiten worden bedreigd door de geringe instroom, zelfs waar het gaat om promovendi. Dat zijn zo langzamerhand grotendeels niet-westerse jonge wiskundigen. De Nederlandse geleerden dreigen derhalve generaals zonder leger te worden. Voor een land als Nederland, dat door allerlei oorzaken gedwongen is om een kennis- en technologiecentrum te zijn, is het ontoelaatbaar dat de bevolking juist van de kennisaspecten van de maatschappij vervreemdt. In een kenniseconomie moeten kennisdragers voortdurend aangemaakt worden. Jonge mensen moeten opgeleid worden en het geestelijk klimaat moet kennisverwerving en kennisonderhoud (lees onderwijs en onderzoek) stimuleren.

De macht binnen het vakgebied hoort thuis bij de vakmensen, niet bij adviseurs en managers. Het kweken van een kundig en enthousiast kader van docenten voor het vwo is bij uitstek een zaak voor de universiteiten. Daarnaast moet met de grootste zorg naar de onderwijsprogramma's gekeken worden, inclusief de urentabellen voor de bètavakken.

Om het niveau van het onderwijs terug te brengen tot dat van een halve eeuw geleden zal veel tijd nodig zijn. Intussen kan er natuurlijk wel het één en ander gebeuren. Wat ligt meer voor de hand dan gebruik te maken van de expertise die zich bij de universiteiten bevindt. Men zou bijvoorbeeld aan iedere universiteit een vwo-afdeling kunnen toevoegen, een Junior College, waar in samenwerking tussen universitaire docenten en eerstegraads docenten een hoogwaardige opleiding geboden wordt. De bedoelde opleidingen zouden natuurlijk gepaste aandacht moeten besteden aan de overige vakken. Een probleem zal dat niet opleveren, omdat de betere bèta's als regel ook goed scoren in de alfa-vakken. De Universiteit Utrecht heeft al gunstige ervaringen opgedaan met haar University College, een uitbreiding in de richting van het vwo ligt voor de hand.

Wanneer er scholen zijn die zich richten op aanstaande musici, balletdansers of voetballers, kan men weinig inbrengen tegen scholen die aanstaande bètawetenschappers als doelgroep kiezen.

Prof. dr. D. van Dalen is verbonden aan de filosofische faculteit van de Universiteit Utrecht.