Recessie zet extra druk op Zalm

Het kabinet-Balkenende, en dan vooral de nieuwe minister van Financiën, ziet zijn uitgangspositie door de recessie verder verslechteren.

Is het 1992 of is het 1981? Dat is in wezen de vraag waar de nieuwe minister van Financiën, come-back-kid Gerrit Zalm, alsnog voor wordt gesteld. Net nu de financiële paragraaf in de formatie-onderhandelingen voor het kabinet Balkenende-II dinsdag is afgesloten, krijgt Zalm – al twee keer eerder bewindsman op het departement aan het Korte Voorhout – alle kans zijn droom waar te maken: aantonen dat hij niet alleen in goede tijden een gevierd minister van Financiën kan zijn.

In het najaar van 1992 moest in een golf van paniek een reeks van noodmaatregelen de overheidsfinanciën in het gareel zien te houden, maar bleek zich naderhand geen daadwerkelijke recessie te hebben voorgedaan. Het herstel kwam daarna langzaam op gang, om uit te monden in een snel toenemende voorspoed onder het eerste paarse kabinet.

De non-recessie van begin jaren negentig verbleekt bij de economische moeilijkheden waar Nederland tien jaar eerder doorheen ging. In diepte verschilt de huidige conjunctuurval nog steeds flink van die van begin jaren tachtig. Maar langzamerhand wordt wel duidelijk dat de dip van ruim tien jaar geleden waarschijnlijk te mild was om de huidige moeilijkheden mee te vergelijken.

Naar nu blijkt heeft zich eind 2001 al een recessie voorgedaan, en is de economie daar de afgelopen twee kwartalen weer in teruggekeerd. Op dit moment bedraagt al negen kwartalen lang de economische groei gemiddeld rond de 0 procent, en er mag niet verwacht worden dat het huidige, tweede kwartaal daar een al te drastische verandering in zal brengen. De economie groeide in 2001 met nog maar 1,3 procent, tegen 3,3 procent het jaar ervoor. Vorig jaar was dat 0,3 procent. Dit jaar staat er officieel een raming van 0,75 procent in de Haagse boeken. Maar het jaar begint al met een krimp van 0,3 procent, zo meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek vanmorgen.

Dat heeft gevolgen voor het overheidsbeleid. Kenmerkend voor elke laagconjunctuur is dat de consumptieve bestedingen van de overheid aanvankelijk redelijk constant blijven. Terwijl de economische groei afneemt, zijn het de overheidsuitgaven die de vaart er nog een beetje in houden. Dat gebeurt op dit moment ook. 2003 wordt het derde jaar waarin de overheidsuitsgaven veel sneller groeien dan de economie als geheel. Die overheidsrol is eindig, want de financiën van de staat verslechteren snel: de belastinginkomsten nemen af, de niet-consumptieve uitgaven (uitkeringen) nemen snel toe. Naarmate de financiën van de overheid verslechteren, neemt de noodzaak tot bezuinigen toe. De hoop is dan dat, juist als de overheidsuitgaven daardoor hun functie als motor van de economie beginnen te verliezen, de marktsector het estafettestokje overneemt.

Dat stadium moet nu aanbreken. Na een forse groei van 3,7 procent in 2002, toen de economie slechts met 0,3 procent groeide, vlakte de toename van de overheidsuitgaven in het eerste kwartaal van dit jaar af tot 2,4 procent op jaarbasis. De forse bezuinigingen die nodig zijn om de overheidsfinanciën in het gareel te houden, zullen een negatief effect hebben op de economische groei.

Dat wordt kortom lastig laveren voor het komende kabinet-Balkenende. De in het regeerakkoord opgenomen maatregelen om de economie structureel te versterken, voorwaarde voor een succesvolle overname van de groeimotor-functie door de marktsector, hebben pas in latere jaren het gewenste effect. Tot die tijd wordt het een dubbeltje op zijn kant. Want zelfs Gerrit Zalm kan met een lege schatkist weinig goeds betekenen voor de haperende economie.