Popgroep No-neck boeit met wonderlijk klankenbrouwsel

Een maand na de desoriënterende concerten van Jackie-O Motherfucker doet nog zo'n exponent van de experimentele rock-underground de Nederlandse podia aan. De No-Neck Blues Band heeft het een en ander gemeen met die groep: een misleidende groepsnaam, een pauze rond middernacht, een gebrek aan eerbied voor rock-conventies en een verfrissende, hoogst intuïtieve aanpak.

Deze New-Yorkse band mag dan avantgardistisch klinken, enige linken met het verleden zijn de leden niet vreemd. Hun voorlaatste cd Sticks And Stones May Break My Bones But Names Will Never Hurt Me verscheen op het Revenant-label van de inmiddels overleden cultgitarist John Fahey en werd geproduceerd door Jerry Yester, die in een grijs verleden in jaren-zestig-groep Lovin' Spoonful zat. Op een abstracter niveau zit er folk in hun muziek, maar dan folk als muziek van de intuïtie en de gemeenschappelijke ervaring. Dat werd vooral duidelijk in de toegift, waarin het geram met bierflesjes om meer werd beantwoord door deze luidruchtige publieksparticipatie te benutten als basis voor een bizarre improvisatie.

Voordien had de zeven personen sterke groep heel wat indrukwekkends laten horen en zien. Contrabassist Matt Heyner legde de link met performance-kunst door na de pauze zijn loodzware instrument als klimrek en als last op zijn schouders te benutten. De groep telt twee slagwerkers, die zo te zien een conventioneel drumstel onder elkaar verdeeld hebben. De overgebleven onderdelen zijn voor de frèle Michiko X, die tussen woeste uithalen op de altsax en ijzingwekkende zangpartijen door met bekkens en ander lawaaimakend metaal smijt.

Meer underground dan deze quasi-monotone, maar in wezen bloedstollend spannende freaksessies kan popmuziek niet worden. Het eerste stuk neemt drie kwartier in beslag, waarin de groep weinig en tegelijkertijd alles overhoop haalt. Met percussie, simpele gitaar- en toetsenlijnen, fluit, melodica en mandoline wordt een hypnotiserende spanning opgebouwd. Zo gaan primitieve folk, freejazz-improvisaties en aan Indiase klanken grenzende minimal music samen in een wonderbaarlijk, ritueel klankenbrouwsel. Het zou de moeite niet waard zijn om je het hoofd te breken over de vraag of dit soort avontuur nog tot de rock gerekend moet worden, als de stuwende ritmes daar geen aanleiding toe gaven en als de wereld van de rock, die van de ene revival naar de andere hype geduwd wordt, zulke onafhankelijke denkers niet broodnodig zou hebben.

Concert: No-neck Blues Band. Gehoord: 14/5, Vera Groningen. Herh. 16/5, Extrapool Nijmegen, 17/5, Kunstencentrum Hasselt, 18/5, Paradiso Amsterdam ('s middags).