Moderne zorgen in het Rijk van het Midden

In `booming' China is een stedelijke middenklasse in opkomst die in welvaart en levensstijl verbazend snel inloopt op die in het rijke Japan, Hongkong en Singapore. Hun aantal loopt in de miljoenen Chinezen en groeit exponentieel. Maar er is ook financiële onzekerheid. En er zijn zorgen – sars nog daargelaten. ,,Ik verdien goed, maar ben wel altijd aan het werk.''

`In Nederland zijn de schapen dikker dan de varkens bij ons'', zegt de 46-jarige Gao Xiaoya lachend. En hij kan het weten, want hij zag die schapen met eigen ogen. Dat was toen hij vorig jaar met zijn vrouw in een reisgroep op vakantie in Europa was. Zijn zoon van vijftien liet hij thuis: die had het te druk met school.

Het was voor het eerst dat Gao voor vakantie in het buitenland kwam, maar hopelijk niet de laatste keer: ,,Ik wil nog veel meer van de wereld zien, en dan liever gewoon met mijn vrouw, niet in een groep'', zegt hij. Voorlopig zal hij die plannen moeten uitstellen, want er is vrijwel geen Chinees reisbureau meer te vinden dat nog buitenlandse reizen aanbiedt: de besmettelijke longziekte sars houdt de mensen op hun plaats. Ook binnen China zelf wordt er momenteel nauwelijks meer gereisd.

Toch wil ook de 32-jarige Zhao Liancheng op den duur graag naar het buitenland. Hij heeft een eigen bedrijf dat geluids- en videoapparatuur in openbare gebouwen installeert, en daarmee verdient hij goed. Niemand hoeft bang te zijn dat hij wil emigreren, want in China wordt hij makkelijker rijk dan in Europa. Een vakantie lijkt hem geweldig. ,,Ik zou graag naar Amerika gaan, en ik wil de piramides in Egypte zien. Dat ga ik echt een keer doen.'' Geld is dan ook niet het probleem, het ontbreekt hem domweg aan tijd. Hij heeft net als Gao een drukke zaak van de grond af aan opgebouwd, en die zaak laat hij niet graag alleen achter.

Gao en Zhao behoren tot China's snelgroeiende middenklasse. Die klasse woont vrijwel geheel in de grote steden in het welvarende oosten van het land, en het gaat daarbij vooral om managers, eigenaren van privé-bedrijven, juristen, artsen en ingenieurs. Zij hebben inmiddels genoeg geld om niet alleen computers en mobiele telefoons te kunnen aanschaffen, maar ook huizen, auto's en om buitenlandse reisjes te maken. Hun aantal wordt geschat op ruim 100 miljoen: veel in absolute termen, weinig als je kijkt naar China's immense bevolking van 1,3 miljard mensen. Maar hun aantal groeit heel snel: de Chinese overheid schatte vorig jaar dat de groep nog vóór 2007 verdubbeld zal zijn tot 200 miljoen mensen. Dat is ook goed nieuws voor multinationals, die eigenlijk alleen nog in dit deel van de wereld grootschalige en snelle omzetgroei kunnen verwachten.

Zo is China inmiddels uitgegroeid tot de op één na grootste markt voor pc's en tot de grootste markt voor mobiele telefonie ter wereld. Zo'n 207 miljoen Chinezen hebben nu een mobieltje, en dat zijn meer mensen dan de hele bevolking van Frankrijk, Duitsland en Engeland bij elkaar. De snelle toename in de verkoop van de mobiele telefoons loopt nu terug, maar de automarkt groeit juist weer als kool: vorig jaar nam de autoverkoop explosief toe tot 1,1 miljoen personenwagens. Als het aan China's in maart benoemde nieuwe premier Wen Jiabao ligt, dan neemt de binnenlandse consumptie in China alleen maar toe. Waar het voorheen de overheidsstrategie was om vooral door exportgroei meer welvaart voor het land te scheppen, wil Wen zich nu richten op stimulering van de binnenlandse afzetmarkt.

De kloof in welvaart, manier van denken en levensstijl tussen China's nieuwe stedelijke middenklasse en vergelijkbare groepen in het rijke Japan, Singapore en Hongkong wordt dan ook zienderogen kleiner. Wel gaapt er een steeds grotere kloof tussen de Chinese middenklasse en de naar schatting 800 miljoen landgenoten op het platteland. Die moeten nog steeds van (omgerekend) minder dan 3 euro per dag zien rond te komen. Maar de eerste groep wordt almaar groter terwijl de laatste groep almaar slinkt.

De nu 46-jarige Gao zette in 1992 met drie anderen zijn eigen zaak op. Hij is als ingenieur gespecialiseerd in de automatisering van industriële productieprocessen. In 1992 hield de toenmalige Chinese leider, Deng Xiaoping, zijn beroemde rede waarin hij opriep tot snellere economische hervormingen. Sindsdien raakte de Chinese economie in een stroomversnelling. Had Gao's stap soms met die rede te maken? ,,Wel een beetje'', zegt hij. Maar hij deed het vooral omdat hij zijn vertrouwen in de staatssector volledig had verloren. Vroeger geloofde hij in de kracht van het staatsbedrijf waarvoor hij toen werkte. In 1986 stuurden ze hem naar Duitsland om bij Siemens de bouw van een staalfabriek in Shanghai voor te bereiden. ,,Wat ik daar zag, maakte diepe indruk op mij.'' Hij raakte ervan overtuigd dat met buitenlandse hulp de Chinese staatssector heel snel zou moderniseren, dat China een soort staats-Siemens zou krijgen. Binnen een paar jaar zou hij zo vast genoeg geld verdienen om een eigen auto te kunnen kopen. Die droom leek in de jaren die volgden steeds minder haalbaar. Eind jaren tachtig drong het tot hem door dat de bloeitijd van de staatsondernemingen in China onherroepelijk voorbij was. Hij zag in dat zijn staatsbedrijf vroeg of laat gewoon failliet zou gaan. ,,Ik ben er toen uitgestapt. Ik was bang dat ik anders te oud zou zijn om elders nog aan de slag te komen.''

Gao bezit inmiddels twee huizen in Peking: één ervan kon hij goedkoop overnemen van het staatsreisbureau waarvoor zijn vrouw werkt. Het reisbureau moest het woningbezit namelijk in opdracht van de overheid verkopen aan de werknemers voor een prijs die ver beneden de marktwaarde lag: staatshuisvesting was uit de tijd, vond de regering. Maar dat huis is klein: toen het gezin zes jaar terug niet meer tevreden was met zestig vierkante meter voor drie personen, kochten ze op de vrije markt een huis met een oppervlakte van 160 vierkante meter. Dat kostte zo'n 50.000 euro. Doordeweeks woont Gao met zijn vrouw en zoon toch nog in het kleine huis in het centrum van de stad. Dat is dichter bij hun werk, en omdat ze het allebei druk hebben, willen ze niet te veel tijd verdoen met heen en weer pendelen. In het weekeinde trekken ze dan naar hun grote huis aan de stadsrand. Gao betaalde het in twee keer af, zonder een hypotheek af te hoeven sluiten. ,,Toen ik dat huis kocht, verstrekten de banken nog helemaal geen hypotheken. Nu kun je zelfs leningen krijgen voor een auto'', vertelt hij verbaasd.

De nu 32-jarige Zhao, die met zijn bedrijf geluids- en videoapparatuur in openbare gebouwen installeert, sloot in 2000 wel een hypotheek af. Zijn huis heeft een oppervlakte van 80 vierkante meter, maar hij vindt het te krap worden. Hij wil een kind, en dan meteen ook een groter huis. Een nieuwe hypotheek wil hij niet. ,,In China blijft je huis eigendom van de bank totdat je het helemaal hebt afbetaald. Als je een paar keer niet kunt aflossen, dan gaat het hele huis terug naar de bank, ongeacht hoeveel je al hebt afgelost. Dat vind ik een te groot risico, dus ik betaal het liever van mijn spaargeld.''

In de buurt van Shanghai, in de Oost-Chinese stad Ningbo, woont de 32-jarige Tao Huangmin. Hij is getrouwd, zijn vrouw werkt bij een staatsuitgeverij en zij hebben een dochtertje van een jaar. Ze wonen in een mooi, ruim nieuwbouwappartement dat heel modern is ingericht. Niet met spullen van Ikea, want die zijn ze nog net iets te duur. Tao's vrouw nam daarom een catalogus uit de winkel mee en vroeg een timmerbedrijf om de kasten, bedden en tafels uit die catalogus zo goed mogelijk voor hen na te maken. Dat was veel voordeliger, en alles werd zo nog precies op maat geïnstalleerd ook.

Tao is in loondienst bij een buitenlands bedrijf, waar hij een jaarinkomen verdient van zo'n 10.000 euro bruto. Dat is in China een knap salaris, maar toch vond hij de aanschaf van een eigen woning nog een hele stap. Want wat als hij zijn baan weer zou verliezen? Het inkomen van zijn vrouw is te laag om de hypotheek dan te blijven betalen. Toen hij een paar jaar terug ziek werd, was hij bang dat zijn baas hem per direct op straat zou zetten. ,,Een Chinese baas had dat zeker gedaan, maar die buitenlander hield me gewoon in dienst.'' Nu gaat de vestiging in Ningbo misschien dicht. ,,Als dat gebeurt, dan ben ik weer helemaal terug bij af. Als ik niet snel ander werk kan vinden, moet ik mijn huis gewoon weer uit.''

Niet een van de middenklassers voelt zich overigens erg zeker over zijn positie: nu gaat het goed, de sars-crisis daargelaten, maar niemand weet hoe het over een paar jaar gaat. Alledrie hebben ze wel levens- en ziektekosten- en pensioenverzekeringen afgesloten, maar veel ziektekostenverzekeringen bieden slechts dekking tot een bepaalde bovengrens die niet hoog ligt. En waar je vroeger van de wieg tot aan het graf in elk geval op minimaal niveau door de staat werd verzorgd, is een echt waardevast pensioen vandaag de dag een vrijwel ongekende luxe geworden.

Gao, met zijn 46 jaar de oudste van de drie, denkt dan ook niet aan korter werken of eerder stoppen. ,,Onze generatie voelt zich daarvoor financieel te onzeker. Wij bouwen nu een bedrijf en zekerheid op door hard te werken. Ik hoop dat mijn zoon later kan genieten van de welvaart die ik nu voor hem schep.''

Het gevoel van financiële onzekerheid komt ook tot uitdrukking in de spaarzucht van de Chinezen. De meeste leden van de stedelijke middenklasse verdienen minder dan 7.500 euro bruto per jaar, toch zetten Chinezen gemiddeld meer dan dertig procent van hun inkomen op de spaarbank. In januari van dit jaar stond er in totaal een recordbedrag van 1.100 miljard euro op Chinese privé-rekeningen, 20 procent meer dan het jaar ervoor.

Veel stedelingen sparen niet alleen om zich tegen de risico's van ziekte en ouderdom in te dekken, maar vooral ook om voor hun kind een goede opleiding te kunnen bekostigen – collectieve verzekeringen zoals in Nederland bestaan niet in China. Behoorlijke scholing is allang niet meer gratis, en veel middenklassers besteden zeker 25 procent van hun gezinsinkomsten aan de opleiding van hun kind. Veel ouders hopen dat hun kind later in het buitenland gaat studeren, en ook daarvoor moet flink wat geld opzij worden gelegd.

De kinderen staan als `investeringsobject' van hun ouders onder een enorme druk om goed te presteren, en ze hebben zelfs op de lagere school nauwelijks nog tijd om te spelen. Ze zitten met als in Zuid-Korea en Japan ook 's avonds en in de weekeinden voortdurend aan hun huiswerk, en dan is er nog de muziekles, de balletles en de bijles. Ter compensatie mogen veel kinderen alles eten en drinken waar ze zin in hebben. Dat komt in de praktijk neer op bergen hamburgers en zeeën van bruine en oranje frisdrank. Dikke kinderen zijn dan ook allang heel gewoon in het Chinese straatbeeld: vooral jongens zijn vaak tonnetjerond. De talrijke vestigingen van McDonald's in China worden voor een groot deel bevolkt door groepjes opgeschoten kinderen in schooluniform en door grootouders met hapgrage peuters, die zo al vroeg aan junkfood verslaafd raken.

Zhao wil graag een kind, ook al weet hij dat het een kostbare zaak is. ,,Zonder kind is je leven niet compleet'', stelt hij. Hij en zijn vrouw, die bij het leger zit, gaan er alleen niet zelf voor zorgen. Daarvoor hebben ze gewoon geen tijd. Als er een kind komt, dan zal dat vanaf z'n eerste jaar naar de crèche gaan. Ook komt er een oppas voor alle dagen. Die zijn goedkoop en ruim voorradig, want er zijn in de afgelopen jaren zo'n 130 miljoen mensen van het platteland naar de steden getrokken. Veel jonge meisjes vinden er werk als inwonend oppas en schoonmaakster.

Gao heeft een jaaromzet van zo'n 600.000 euro, maar zijn salaris ligt verrassend laag: hij staat als directeur en universitair geschoolde ingenieur op de loonlijst voor zo'n 120 euro per maand, niet veel meer dan wat een schoonmaker in Peking verdient. Op de vraag hoe hij van dat geld een huis en een auto kan bekostigen, begint hij ongemakkelijk op zijn stoel te wippen. ,,Ik had ook nog wat beleggingen en inkomsten uit andere opdrachten. Daardoor kon ik dat huis kopen.'' Waarschijnlijk ligt het net even anders, en hoopt hij met zijn formeel laag gehouden salaris te voorkomen dat hij al te veel geld aan de belasting moet afdragen. Belastingontduiking is in China eenvoudig en algemeen geaccepteerd, ook China's superrijken maken zich er graag schuldig aan. Onder de tien allerrijksten van China is er niemand die ook maar één cent inkomstenbelasting betaalt. Dat maakt het voor de staat niet makkelijk om een sociaal stelsel op te bouwen waar de gewone Chinezen in tijden van nood op kunnen terugvallen, en ook dat verklaart de uitzonderlijke spaarzin van Chinezen.

Als je vraagt wat er bovenaan Zhao's verlanglijstje staat, dan is dat een nieuwe auto. Hij rijdt nu in een in Shanghai gemaakte Volkswagen Santana, maar die is alweer vijf jaar oud. Hij heeft zijn oog laten vallen op een Buick, die in Shanghai door General Motors wordt gefabriceerd en die nog niet zo lang op de markt is. Fietsen doet hij nooit meer: geen tijd, en je pak wordt er bovendien zo kreukelig van. Hij draagt graag Chinese en Japanse maatpakken. ,,Westerse pakken zijn niet op ons postuur gemaakt, vandaar dat ik toch voor Aziatische merken kies'', zegt de in stemmig donkerblauw gehulde Zhao.

Is hij eigenlijk blij dat hij een eigen, goedlopende zaak heeft? ,,Ik verdien goed, maar soms ben ik jaloers op mijn vrienden van toen. Ik heb natuurkunde gestudeerd aan een lerarenopleiding, en de meeste van mijn studiegenoten zijn gewoon leraar geworden. Die hebben heerlijk veel vrije tijd, maar ik ben altijd aan het werk. Ik zet mijn mobieltje nooit af, ook 's avonds en in het weekeinde ben ik altijd bezig en bereikbaar. Soms vraag ik me weleens af of ik echt de goede keuze heb gemaakt.''