Dom gepraat over een slimme economie

Het schijnt dat Nederland dankzij de regeringsdeelname van D66 meer gaat investeren in de kenniseconomie. Daar kan niemand tegen zijn. Het feit dat in het `strategisch akkoord' van de vorige coalitie nauwelijks werd gerept over innovatie of kenniseconomie was opvallend.

Investeren in kennis is dan ook een noodzakelijke basisvoorwaarde voor een florerende economie. Maar het is allesbehalve voldoende. Geld uitgeven is gemakkelijk, het effectief doen iets moeilijker. In dat licht stoor ik me al jaren aan de mechanistische wijze waarop de discussie over innovatie en investeringen in kennis gevoerd wordt. Alsof meer bestedingen automatisch tot meer resultaat leiden. Tussen input en output heb je nog steeds het onzekere creatieve proces!

Zo wordt de outputmeting van wetenschappelijk onderzoek gedomineerd door het tellen van en het geven van punten aan internationale wetenschappelijke publicaties. Op de universiteit worden niet de mensen beloond die met vernieuwend onderzoek bezig zijn, maar wel de puntenverzamelaars. Als een faculteit slecht scoort bij een onderzoeksvisitatie, dan moeten er binnen de twee jaar koste wat het kost meer publicaties komen. De vraag wordt niet eens gesteld of het mogelijk ligt aan het gemis van een vernieuwend onderzoeksprogramma.

Langs de andere kant kan iemand die in het bedrijfsleven jarenlang met nieuwe benaderingen bezig is geweest, maar nauwelijks heeft gepubliceerd, niet meer terug naar de wetenschap. Iemand die niets afweet van hoe het er in de praktijk aan toe gaat, maar onderdeel is van een esoterisch publicatienetwerk, scoort en wacht een glansrijke carrière in het universitaire transfercircuit.

Op de achtergrond functioneert het ministerie van OC&W. Dit departement heeft geen weet van inhoudelijke criteria om onderzoek te beoordelen en stimuleert dan maar een kwantitatieve publicatiecultuur – waarbij vakpublicaties in de eigen taal overigens niet tellen. Alsof een kenniseconomie geen behoefte heeft aan goede docenten of in de eigen taal schrijvende wetenschappers!

Een vernieuwende wetenschappelijke cultuur is er een waarin waardering bestaat voor en interactie plaats heeft tussen de verschillende soorten wetenschapsbeoefening. En vooral ook een waarin gepraat wordt over de inhoud, over wat spannend, onzeker en risicovol is, en waarbij geen gemakkelijke resultaten beloofd worden.

Een symptoom van de armoede van de discussie is de wijze waarop iedereen nu een publicatie napraat waaruit zou blijken dat Nederland in de kenniscompetitie is weggezakt van de derde naar de vijftiende plaats. In de sombercompetitie spant Nederland inderdaad sinds jaar en dag de kroon. Meestal kijkt men bij dit soort rangschikkingen naar investeringen in `R&D' (onderzoek en ontwikkeling). Nederland besteedt daaraan al heel lang net onder de 2 procent van zijn BNP – een heel respectabel getal. Maar hoe effectief? Die discussie wordt niet gevoerd.

Enkele jaren geleden onderschreef Nederland samen met de andere EU-landen in Lissabon een doelstelling voor 3 procent investeringen in R&D. Een willekeurige doelstelling zonder enig realiteitsgehalte, zolang er geen idee is in welk specifiek onderzoek men wil investeren. Dat was ook de reactie van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid. Opnieuw: geld uitgeven is niet moeilijk. Gaan we de beoordelingscriteria bij toekenning van onderzoeksgelden bijvoorbeeld verlagen? Gaan we meer risico nemen?

Overigens is dat laatste niet zo'n gek idee. Wie meer radicale, grensverleggende innovatie wil, moet vooral investeren in het meer riskante onderzoek. Anders is er immers niet gedurfd genoeg geïnvesteerd. Natuurlijk is het duidelijk dat ook deze doelstelling, mits dom genoeg gehanteerd, niet effectief hoeft te zijn. Maar de spirit ervan staat me wel aan. De doelstellingen, de targets van het Nederlandse innovatie- en wetenschapsbeleid gaan immers eerder uit van de gemakkelijke, mechanistische illusie. Succesvolle innovatie en investeringen in kennis gedijen alleen in een creatieve cultuur met diepe specialisatie op bepaalde terreinen. Waarom discussiëren we daar met zijn allen niet meer over?

Dr. Dany Jacobs is hoogleraar strategisch management aan de Rijksuniversiteit Groningen.