De waarheid liegen

Afgelopen zondag beet The New York Times diep in het stof. Het journalistieke geweten van Amerika moest toegeven dat ver- slaggever Jayson Blair jarenlang nieuws heeft verzonnen.

Niet in zijn flat in Brooklyn, niet bij zijn moeder in de Washington, niet op een bankje in Central Park, maar bij vrienden in Manhattan vond ik uiteindelijk de aanstichter van `de grootste crisis in de 152-jarige geschiedenis van The New York Times'. De voormalige sterverslaggever van die krant is ondergedoken omdat hij wordt belaagd door uitgevers, journalisten en steunbetuigers. De jongensachtige Jayson Blair (27) loopt naar de keuken, komt terug met een rinkelend glas Scotch, steekt een sigaret op en gaat zitten op het bedbankje dat hem sinds zijn ontslag begin deze maand tot slaapplaats dient. In het licht van de vroege avond is goed te zien dat zijn modieuze sikje al geruime tijd niet werd getrimd.

Hij leest alles over de rel die door hem is veroorzaakt, via dezelfde laptop waarmee hij zoveel verhalen bij elkaar sprokkelde. Wat waren zijn motieven? Was hij te vroeg in een verantwoordelijke positie gekomen? Had hij psychische problemen? Dat doen veel van zijn gefabuleerde personages wel vermoeden: hij legde ze opvallend vaak woorden van nood, angst of droefheid in de mond. ,,Ik worstelde herhaaldelijk met persoonlijke kwesties, die me veel pijn hebben bezorgd'', bevestigt Blair, zijn sigarettenrook bedachtzaam uitblazend. ,,I am now seeking appropriate counseling.''

Het eerste verzinsel kwam noodgedwongen tot stand: de deadline naderde en zijn zegsvrouw was nergens te vinden. Geen haan die ernaar kraaide! De gelegenheid maakte de dief. In volgende stukjes schudde hij sfeerbeschrijvingen uit zijn mouw. Complimentjes waren zijn deel. Tot hij complete woordvoerders bij elkaar fantaseerde en ze uitgebreid citeerde. Of hij situeerde mensen in het nieuws op een bepaalde plek, deed alsof hij er was geweest en voerde ze sprekend op. Een quote was op internet snel gevonden.

Precies zoals ik het hierboven heb gedaan.

Het wonderlijkste is nog dat niet eerder een van de vele bij naam genoemde zegslieden alarm sloeg. Het tien internetpagina's tellende NYT-dossier over de affaire, gemaakt door vijf reporters en twee onderzoeksjournalisten, vermeldt zelfs `slachtoffers' van Blair die dik tevreden waren. Zo zocht hij vanuit New York telefonisch contact met de ouders van de in Irak verblijvende marinier Michael Gardner II. In zijn artikel, met in de dateline `Hunt Valley, Md.', beschreef hij hoe in huize Gardner de sfeer gespannen werd zodra er oorlogsnieuws op tv kwam: ,,A sense of relief comes over the room that it has not been their son's group that has been attacked.'' In plaats van The New York Times te melden dat er helemáál geen reporter over de vloer was geweest, schreven de ouders een enthousiaste brief naar die krant – die nog werd gepubliceerd ook. Chapeau voor de auteur, die de bijeenkomst zó overtuigend uit zijn duim zoog, dat de bezorgde ouders die als waar gebeurd beschouwden.

Blairs aanpak was wat Simon Carmiggelt ooit betitelde als `de waarheid liegen'. Dat mag de columnist, maar is een journalistieke doodzonde. Blijkbaar was hij dermate handig in `faction', dat hij jarenlang vrijwel alle protocollen van het NYT-stijlboek overtrad. Maar geen lezer of collega die er aanstoot aan nam. Zou dat te maken hebben met de wildgroei van columnistieke vormen in de kranten, het `docudrama' op de televisie en de opmars van de gossip in alle media, waarbij de grens tussen feit en fictie almaar meer vervaagt? Past deze affaire niet naadloos in de tendens naar `opgeleukt' nieuws? Blair is misschien wel de pionier van een tweede golf `nieuwe journalistiek', waarbij niet de feitelijke verslaggeving vooropstaat, maar de beschrijving van hoe iets gebeurd zou kunnen zijn.

,,Hij verzon uitspraken'', beschrijft The New York Times Blairs werkwijze. ,,Hij bedacht scènes. Hij viste materiaal uit andere kranten en van het net. Hij pikte details uit foto's om de indruk te wekken dat hij ergens was geweest of iemand had gezien.'' Het hele proces-verbaal van The New York Times beschrijft in feite de werkwijze van een fictieschrijver. De man die aan de schandpaal wordt genageld, is een getalenteerd en empathisch mens. Hij koos alleen te jong voor het verkeerde beroep. Zijn toekomst als romancier is verzekerd, maar eerst moet hij het scenario schrijven van de film over zijn eigen affaire. Het speelt zich af op de van naijver en competitie zinderende werkvloer van een kwaliteitskrant, waar een jonge verslaggever gemangeld raakt tussen zijn ambitie, de gunst van de lezer en de eerbiedwaardige traditie van zijn opdrachtgever. Een eenvoudige afro-Amerikaan bovendien, die terechtkomt in een door witte middle-class gedomineerd bolwerk (regie: Spike Lee!). Een zedenschets van het noodlijdende krantenbedrijf in het decor van Amerika's strijd tegen het terrorisme.

De aan het einde met een mokerslag van zijn voetstuk gestoten sterreporter wordt een held, wanneer blijkt dat hij werd gedwongen te fabuleren: door onverschillige collega's, een lafhartige hoofdredactie en een paniekerige directie. Er moet natuurlijk ook een liefdesgeschiedenis in. Als Blair er niet een heeft gehad, verzint hij die maar.