Zestien ministers

,,VERBETER de wereld, begin bij de overheid''. Het was een interessante toespraak die toenmalig D66-lijsttrekker Thom de Graaf ruim een jaar geleden hield in de Beurs van Berlage in Amsterdam. Hij zette daar de ideeën van zijn partij over `de nieuwe overheid' uiteen en verbond daar ook direct een politieke conclusie aan: ,,Wij willen de overheid vernieuwen, anders moet het maar zonder ons.''

Het opmerkelijke van het verhaal van De Graaf was dat hij nu eens niet de bekende staatsrechtelijke punten van D66 centraal stelde, maar zich concentreerde op het beter functioneren van de ministerraad. Hij wees erop dat ministers bestuurders van departementen zijn geworden die verdrinken in de plannetjes, wetten, regels en belangen van hun ministerie. Het gevolg is dat zij in de ministerraad vooral opkomen voor de problemen van de ministeries en niet meer toekomen aan het behandelen van de problemen in de samenleving, aldus De Graaf destijds. Zijn oplossing was dan ook een kernkabinet bestaande uit zeven ministers inclusief de minister-president. De veertien departementen zouden dan geleid kunnen worden door aparte onderministers. Tegen deze achtergrond komt het voornemen van de aanstaande coalitie van CDA, VVD en D66 om het aantal ministers uit te breiden van veertien naar zestien in ruil voor vermindering van het aantal staatssecretarissen des te vreemder over. Het staat immers haaks op de vorig jaar zo dwingend geformuleerde gedachten van D66.

MAAR OOK LOS van de ideeën van deze partij is een vergroting van de ministerraad geen goed idee. Allereerst gaat er een verkeerde signaalwerking van uit. Er zal de komende jaren in opdracht van het nieuwe kabinet fors worden gesnoeid in het aantal ambtenaren. Logischer was het geweest dat dan eveneens kritisch zou zijn gekeken naar de omvang van het kabinet zelf. Een verkleining van de ministerraad ligt veel meer voor de hand dan een uitbreiding, om de redenen die De Graaf vorig jaar aangaf. De politieke sturing die van de ministerraad zou moeten uitgaan, legt het te vaak af tegen het stamhoofdenoverleg van de onverenigbare departementen. Hoe meer ministers, hoe meer de beruchte Haagse verkokering in stand wordt gehouden.

Met een uitbreiding naar zestien ministers kiezen de onderhandelaars van CDA, VVD en D66 voor de gemakkelijkste oplossing. De tweede minister voor D66 – verhoudingsgewijs gezien een geval van overbedeling – kost op deze manier de andere partijen niets. Maar met zestien bewindspersonen is de slagvaardigheid van de ministerraad ver te zoeken. Veel creatiever was het dan ook geweest de oplossing te zoeken in een beperking. Temeer daar dergelijke wijzigingen alleen maar tijdens kabinetsformaties kunnen worden geregeld. Hier is duidelijk sprake van een gemiste kans.