Managers in het getto

Het eigenaardigste is dat de topmanagers, CEO's, captains of industry zelf blijkbaar niet goed meer begrijpen wat hun overkomt. Lang geleden is het begonnen, in de Verenigde Staten waar concerndirecties werden beloond met bedragen gelijk aan het nationaal inkomen van een middelgroot Afrikaans land. Dat was wel veel voor één mens maar er was een rechtvaardiging: ze droegen per de laatste verantwoordelijkheid voor commerciële wereldrijken. Daar werd de algemene vooruitgang gewaarborgd, de werklegenheid verzekerd, daar lag per slot van rekening het welzijn van de mensheid verankerd. Omdat in die tijd niemand werkloos hoefde te zijn en het Westen zich koesterde in de Nieuwe Economie, die tot het einde der dagen zou blijven groeien, had iedereen er vrede mee een paar linkse scherpslijpers daargelaten, maar die werden geïnspireerd door afgunst, het slechtste wat een sterveling kon overkomen. Dat was in die tijd, zeer kort samengevat, de ideologie van het topmanagement.

Toen zijn er twee dingen gebeurd. Het Westen werd beslopen door de economische neergang. Allen die het weten konden, verzekerden dat dit maar tijdelijk was. De nieuwe bloeitijd lag om de hoek. Alan Greenspan zelf wist het zeker. Maar de tijdelijkheid duurde al te lang voor de Twin Towers waren ingestort. Dat de malaise daardoor onbecijferbaar is vergroot, hoeven we niemand te vertellen. En toen werden een paar van de grootsten onder de grote leiders van het mondiale bedrijfsleven ontmaskerd als cynische oplichters die zich systematisch hadden verrijkt op kosten van kleine beleggers. De managers van ENRON en Andersen zijn het beruchtst, maar al vlug bleek dat ze niet de enigen waren. In Duitsland, Frankrijk, Italië vielen ze door de mand, en ook in Nederland.

Die twee ontwikkelingen, de economische neergang en de grootschalige oplichterij, moeten we goed uit elkaar houden. Voor de neergang is niemand persoonlijk verantwoordelijk. Het is een vorm van het lot dat zich nu eenmaal aan iedereen voltrekt. Maar niet op gelijke wijze. Terwijl de duizenden of tienduizenden van het lagere personeel der grote ondernemingen zich bedreigd voelden, dagelijks, door onophoudelijke reorganisaties, terwijl massaontslagen gebruikelijk werden, bleek dat de top zich door optieregelingen, bonussen, gouden handdrukken, wat heb je verder, tot het onkwetsbare had verschanst. Je zouhet bijna vergeten, maar dit alles gebeurde in een democratie, waarvan het grondbeginsel de fundamentele gelijkheid is. Niet in de zin dat iedereen hetzelfde zou moeten verdienen, maar wel dat men in het algemeen een recht op welzijn en bestaanszekerheid kan laten gelden.

Wim Kok, toen minister-president, noemde de beloningen die het bestuur van dergelijke concerns zichzelf toekenden, `weerzinwekkende zelfverrijking'. Ik vat het op als een ethische, tegelijkertijd politieke uitspraak. Het is onethisch, als iemand zich in een jaar met een paar miljoen euro laat belonen terwijl in dezelfde tijd een fors aantal van zijn ex-werknemers in één of andere overbrugging of bijstand terecht is gekomen. Het is politiek dom te veronderstellen dat zoiets op den duur niet tot een diepe verbittering zal leiden bij de slachtoffers en dat deze verbittering niet naar een politieke uitdrukking zal zoeken. Aan het topmanagement was het oordeel van Kok niet besteed. De beloning van de topmanagers bleven en blijven stijgen. De werkloosheid in Nederland bedraagt tien procent; het aantal faillissementen is de afgelopen drie jaar verdrievoudigd, en nog nooit heeft de Nederlandse kostwinner zich zo diep in de schulden gestoken.

Met de meeste gigantische beloningen is alles volgens de letter van de wet in orde. Maar er zijn ook beroemde topmanagers die zich bedenkelijke strapatsen hebben veroorloofd om hun inkomen nog wat aan te vullen. Waardoor gedreven? Daarover zou ik graag een goede, liefst door het VNO-NCW gefinancierde speelfilm willen zien. Daarmee zou het volk misschien van een probleem verlost zijn.

De topmanagers vormen internationaal en mondiaal een beroepsgroep. Zelf en via hun experts van de public relations hebben ze hun best gedaan, tientallen jaren al, om zich een onverdeeld zegenrijk imago te verwerven. Van James Burnham tot Peter Drucker en verder – een lange stoet van ideologen heeft het moderne management bevorderd tot de ruggengraat van de kapitalistische samenleving. Zo lang het goed gaat, heeft het volk er vrede mee.

Maar iedere beroepsgroep wordt, negatief of positief, beoordeeld naar de prestaties van zijn beste of slechtste vertegenwoordiger. Dat is onrechtvaardig, maar zo is het nu eenmaal. Als niet alleen in Nederland, maar overal in het Westen topmanagers ook in tijden van economische neergang met duizelingwekkende bedragen beloond blijven worden, begint het volk te vermoeden dat er aan `de top' in het algemeen iets fundamenteel niet in orde is. Dan volgen bepaalde onthullingen over platte oplichterijen. Deze ontmaskeringen raken niet alleen de betrokkenen, maar de beroepsgroep als geheel. Het `topmanagement' zelf komt in een kwade reuk te staan. Als leiding van de vakvereniging zou je er dan logischerwijze alles aan doen om daar zo vlug mogelijk verbetering in te brengen.

Zo is het niet. De beroepsgroep laat zich de oude nimbus van feilloze zegenrijkheid niet afnemen. Ze merken daar niet dat ontevredenheid en wantrouwen normaal zijn geworden, dat er gemord en gekankerd wordt, dat ze het vertrouwen van de maatschappij aan het verliezen zijn. En dat is het ernstigste wat een leiderschap, politiek of economisch, kan overkomen: dat het niet meer weet wat zich in de lagere regionen afspeelt.

Zoals het er nu voor staat, is het topmanagement, ook het gewetensvolle, bezig zich in een gouden getto te manoeuvreren. Ze kunnen het zich daar nog veroorloven, want de Nederlandse aandeelhouder, de werknemer, de staat zijn dociel. Een wissel trekken op de dociliteit van het volk om intussen zelf zo rijk mogelijk te worden, is het tegendeel van goed ondernemerschap, en van wat zo'n ondernemer zelf beloofd heeft.