In Basra moet men nog wennen aan de vrijheid

De plunderingen in de Zuid-Iraakse stad Basra zijn voorbij, maar de bevolking voelt zich nog steeds onveilig.

De grootste markt in het centrum van Basra heeft sinds kort een nieuwe naam: de Ali Baba-soukh. Een spottend eerbewijs van de inwoners van de Zuid-Iraakse stad aan de talrijke plunderaars en helers die hier sinds enkele weken hun geroofde waar aan de man brengen.

De verscheidenheid in het aanbod van de Ali Baba's, die meteen na de val van Saddam Hussein hun slag sloegen in een ongekende plunderorgie, is groot. Op de stoffige grond in de brandende zon liggen roestige kranen en gloednieuwe spoelbakken voor het toilet, naast aftandse telefoontoestellen en moderne computers. Bij veel voorwerpen is duidelijk te zien dat ze met geweld zijn losgewrikt of -geknipt uit kantoren en bedrijven.

Maar wee hem die er kwaad van denkt. ,,Ik moest wel'', verdedigt Mishal Fidhal zich, een 17-jarige jongen die zeer stoffige adaptors voor elektronische apparaten verkoopt. ,,We hebben verder geen inkomen en ik moest helpen om onze familie van elf mensen op de been te houden.''

Andere plunderaars of helers leggen de oorzaak direct bij de Britse bezetter, die niet voor voldoende veiligheid zou hebben gezorgd, zelfs niet op de Ali Baba-markt. ,,Het is de fout van de Britten'', roept een opgewonden man van middelbare leeftijd. ,,Zij stonden toe dat er op grote schaal in de stad werd geplunderd.'' Een heler in computers valt hem bij. ,,De boel is na de oorlog in elkaar geklapt en er is niets voor in de plaats gekomen. Waar is de voorlopige regering gebleven die de Britten ons hadden beloofd, en waar blijft de humanitaire hulp?''

De aanhoudende onveiligheid in Basra, de tweede stad van Irak, is een veel gehoorde klacht bij de bevolking. Maar luitenant-kolonel Mike Riddel Webster, de Britse bevelhebber van het 600 man sterke bataljon dat verantwoordelijk is voor de ordehandhaving in het grootste deel van Basra, is er niet erg van onder de indruk.

In een gespaard gebleven luxe-vertrek van een grotendeels door de Amerikanen platgebombardeerd complex van een van de vele geheime diensten van Saddam Hussein wil de Britse officier best toegeven dat de inwoners nog steeds bang zijn. Maar de toestand is volgens hem bij lange na niet zo rampzalig als de bevolking suggereert. ,,In werkelijkheid wordt de veiligheidssituatie steeds beter. Op de Ali Baba-markt zit al twee weken een compagnie van mij, maar ze hebben nog niets bijzonders aan de hand gehad.'' In de hele stad van zo'n 1,2 miljoen inwoners houden ze per dag gemiddeld een handvol mensen aan op verdenking van crimineel gedrag, volgens hem niet overmatig veel.

Bij de bevolking speelt echter volgens hem mee dat ze zo lang onder een sterk onderdrukkend regime heeft geleefd dat ze zich niet goed raad weet met de nieuwe, vrijere situatie. Riddel Webster: ,,Ze zijn als de dood om wat dan ook op eigen houtje te doen.'' Ook buitenlandse medewerkers van hulporganisaties bevestigen deze indruk. ,,Ze zijn volledig gewend dat alles van de staat komt'', zegt een van hen. De afwezigheid van de alles bepalende staat geeft ze een onbehaaglijk gevoel.

Helemaal zoek geraakt zijn de eigen normen en waarden van de bewoners intussen niet, zelfs niet bij de plunderaars. Het kantoor van een shi'itische liefdadigheidsorganisatie, vernoemd naar de in 1991 vermoorde geestelijke Mohammed Sadiq Al-Sadir, is tot de nok gevuld met onder meer kantoormeubilair, grote balen thee en brandblusapparaten. Allemaal plunderwaar die werd geretourneerd, nadat hoge shi'itische geestelijken uit de stad Najaf daartoe via een fatwa hadden opgeroepen.

,,Sommigen kwamen de spullen huilend terugbrengen'', vertelt sjeik Ali Al-Assad, een vriendelijke functionaris met een witte tulband. Zo goed en zo kwaad als het gaat probeert zijn organisatie de spullen terug te bezorgen aan de rechtmatige eigenaar. [Vervolg BASRA: pagina 5]

BASRA

Natuurlijk gezag wordt nauwelijks zichtbaar

[Vervolg van pagina 1] De onzekerheid van de merendeels shi'itische bevolking uit zich in een lange stroom klachten, in het bijzonder over de Britse bevrijders. Nu de mensen met openbaar geweeklaag niet langer zware straffen riskeren, maken ze stuk voor stuk met volle overgave gebruik van dit nieuw verworven recht.

Velen in Basra voelen zich tekort gedaan. Na decennia van onderdrukking door Saddam Hussein hadden ze na diens val torenhoge verwachtingen. Nu zou Irak snel op het niveau van het welvarende buurland Koeweit kunnen komen, dachten ze. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Hun sterk verwaarloosde stad staat eerder op het niveau van een gemiddeld Derde-Wereldland. Niet beter maar ook niet slechter. Ervaren buitenlandse hulpverleners wijzen erop dat er in Basra zeker geen sprake is van een humanitaire ramp. De situatie in landen als Afghanistan en Tsjetsjenië is volgens hen veel ernstiger. In Basra krijgen de meeste mensen weer water uit de kraan en is er meestal stroom beschikbaar.

Dat neemt niet weg dat menigeen wel degelijk reden heeft tot klagen. Neem de 25-jarige Ali Abud, die dag in dag uit zijn tomaten en aardappelen in de souk in de oude stad verkoopt te midden van zwermen vliegen. Als hij een stap achteruit doet, staat hij in een open riool. Nog een stap verder ligt een vlakte met een dik sediment van een penetrant stinkende afvalbrij. ,,Ik wou dat dit eens werd opgeruimd'', zucht hij.

Ook de kinderarts Mohammed Kamil, verbonden aan een plaatselijk ziekenhuis, heeft het niet makkelijk. Al een paar maanden lang heeft hij geen salaris gehad. Het 400 bedden tellende ziekenhuis heeft nog maar één auto over. Er zijn ook te weinig medicijnen om de baby's en kleine kinderen, die onder hevige diarree lijden, te behandelen. ,,Per dag behandelen we zo'n 200 nieuwe patiëntjes met gastro-entritis.''

Maar het is toch bovenal de afwezigheid van een natuurlijk gezag dat de bevolking blijft storen. Op enkele verkeersagenten na is dat nog bijna onzichtbaar. Riddel Webster legt uit dat er bewust voor is gekozen de lokale politiemacht, die voor de oorlog 6.000 man telde, eerst bij te scholen alvorens haar weer de straat op te sturen. Inmiddels zijn een paar honderd agenten weer aan het werk gegaan en spoedig zullen dat er beduidend meer moeten zijn. Het probleem is volgens de Britse kolonel niet zozeer dat de politie was gecompromiteerd onder het bewind van Saddam Hussein. ,,De bevolking had vooral een afkeer van de politie wegens haar grote corruptie. Dat moet ze nu afleren. Nu werken ze op onze voorwaarden.''

En de voorlopige regering, waarover al weken wordt gesproken? Bij dat thema staat de Britse militair enigszins met de mond vol tanden. Hij verwijst naar het Kantoor voor de Wederopbouw en humanitaire bijstand (ORHA) in Basra, dat sinds een week onder leiding staat van de Deense diplomaat Ole Wohlers Olsen. Journalisten die echter bij het door een Britse pantserwagen bewaakte gebouw aanbellen, worden doorverwezen naar het hoofdkwartier van Webster. ,,Het is onze bedoeling om de balans geleidelijk aan te verschuiven van het militaire naar het civiele bestuur'', stelt de kolonel.

Veel concreets heeft hij er verder niet over te melden en dat komt het prestige van de Britten bij de bevolking van Basra niet ten goede. Slechts een enkeling in Basra is optimistisch. Voor het verwoeste gebouw van een van de gevreesde geheime diensten laadt de 22-jarige Abdel Amir Sabir gaaf gebleven stenen in een kruiwagen. Drie weken geleden is hij uit de moerasgebieden ten noorden van Basra, naar de stad gekomen. Nu maakt hij van de wetteloosheid gebruik om voor zijn gezin in de buurt een nieuw huis te bouwen op een plek waar dat onder gewone omstandigheden verboden zou zijn. ,,Er zijn in Basra meer kansen voor mij dan in de moerassen'', zegt hij blijmoedig.