Hbo-propedeuse

Drs. F. Leijnse voorzitter van de HBO-raad beweert in NRC Handelsblad van 10 mei dat het argument dat havisten met een hbo-propedeuse uitvallen omdat ze geen academisch denkniveau hebben, gebaseerd is op een ,,ons-soort-mensen-redenering. Het verschil tussen hogeschool en universiteit is helemaal niet meer zo groot''.

Ik schrok van die opmerking. Leijnse, die een belangrijke rol speelde bij de mislukte informatiefase voor de vorming van een nieuw kabinet, blijkt niet in staat om gebruik te maken van controleerbare feiten. Mensen die veel ervaring hebben met afgestudeerde hbo-studenten dan heb ik het nog niet eens over studenten met een havo-diploma en een hbo-propedeuse kunnen die feiten wel leveren. Zij stellen dat verschil tussen universiteitsstudenten en hbo-studenten heel makkelijk vast. Dat is ook niet verbazend. De meeste hbo-docenten hebben geen ervaring met de wetenschap, de meeste wo-docenten zijn wel actieve wetenschappers en zijn bijna allemaal gepromoveerd; kijk verder naar de inhoud van de bibliotheken van hbo en universiteit, kijk naar het lesmateriaal. Ervan uitgaande dat de leeromgeving een rol speelt bij de vorming van leerlingen en studenten, is het niet verwonderlijk dat de hbo-student een andere habitus heeft dan de wo-student. De mogelijke tegenwerping van Leijnse, dat in het Verenigd Koninkrijk het verschil tussen polytechnics (hbo-instellingen) en universiteiten met een pennenstreek is opgeheven, is gebaseerd op een virtualiteit. Er bestaat een league van `echte universiteiten' in het Verenigd Koninkrijk, en er zijn informele lijsten van opleidingen die `best wel een academisch niveau hebben'; daarnaar moet je echter zoeken.