Down, goed voor u

In de provincie Kopenhagen in Denemarken krijgen alle zwangere vrouwen de gelegenheid hun foetus te laten screenen op het Downsyndroom. Deze nieuwe regeling heeft een bezuinigingsachtergrond. De overheid verwacht op die manier dertien miljoen euro te kunnen besparen in de gezondheidszorg. Het screenen gebeurt door middel van een bloedtest in het begin van de zwangerschap en is vrijwillig. Wie er geen zin in heeft, kan het aan zich voorbij laten gaan. Tot nu toe werd net als in Nederland alleen aan vrouwen boven de 35 een vlokkentest (bij drie maanden) dan wel een vruchtwaterpunctie (bij vier maanden) aangeboden, maar men heeft dit leeftijdscriterium laten vallen op grond van antidiscriminatieoverwegingen. Het voordeel van de nieuwe bloedtest is dat de vrucht geen gevaar loopt en dat het aantal uit te voeren puncties en vlokkentesten (nog altijd nodig bij een dubieuze uitslag van de bloedtest) sterk verminderd kan worden.

Een prima regeling, zou je zeggen, eentje waarbij zowel de toekomstige ouders als de belastingbetaler voordeel hebben, en zoiets is zeldzaam in de gezondheidszorg. Dat zouden ze hier ook moeten invoeren. Maar in Nederland gaat de discussie over een volstrekt marginale kwestie als de `wrongful life'-claim van de meervoudig gehandicapte Kelly (wier ouders vergeefs tijdens de zwangerschap om een test hadden gevraagd) en de ethische implicaties daar weer van. Het hele idee `wrongful life' is futiel, irreëel en juridisch onhanteerbaar. Daaronder ligt iets veel belangrijkers, namelijk het recht van ouders op een screening, als zij daar toevallig behoefte aan hebben. Het is vreemd en inderdaad discriminerend om het testen op het Downsyndroom voor te behouden aan 35-plus vrouwen. Tachtig procent van de mensen met Down die nu jonger zijn dan twintig jaar werd voortgebracht door moeders die jonger waren. Leeftijd is een risicofactor, maar verder is het toch gewoon een loterij.

Critici van het screenen vinden het altijd vreselijk als de factor geld of besparingen in de overwegingen worden meegnomen, want volgens hen zal dit ertoe leiden dat ziektekostenverzekeraars zo'n test verplicht gaan stellen. Naar mijn idee een overbodige angst, want in voortplantingszaken is nog steeds iedereen volkomen vrij om te doen wat ie wil. De elementaire vrijheid om wel of niet een test te ondergaan lijkt in ieder geval juridisch een stuk makkelijker dicht te timmeren dan iets efemeers als een `wrongful life'-claim.

De andere angst van de screeningstegenstanders komt neer op statistisch moralisme. Als zo'n test zomaar voor iedere moeder in spe beschikbaar wordt, zou in de toekomst het straatbeeld wel eens gezuiverd kunnen worden van personen met het Downsyndroom. En dat is heel erg, want bij gewone mensen zou dan het idee kunnen postvatten dat `het leven maakbaar is'. De belangrijkste functie van het `Downtje' is kennelijk om anderen een spiegel voor te houden. Daarom mag een zwangere zo'n vrucht niet detecteren en aborteren.

In de Middeleeuwen stikte het van de gebochelden. Die zie je nu nauwelijks meer. Is een hernieuwde proliferatie van gebochelden wenselijk om ons eraan te herinneren dat het in het leven soms niet meezit? Afgezien daarvan is ook in onze veel gezondere en relatief risicovrije maatschappij het noodlot nog volop aanwezig in de vorm van auto- of andere ongelukken, ziektes en onvoorzienbare geboortedefecten, die zorgen voor een constante aanvoer van gehandicapten in karretjes en types met aangetaste geestelijke vermogens. Volwassenen én kinderen. Nee, met het maakbare straatbeeld loopt het wel los.

Screeningtegenstanders verheffen een vermijdbare individuele tragedie tot een gemeenschappelijke glorie. Krijg een Downkind, goed voor de maatschappij!