Directie van ATF toch voor rechter

Drie directieleden van afvalonderneming ATF/De Pijp moeten zich, drie jaar na een brand in een opslaghal voor chemisch afval in Drachten, alsnog voor de rechter verantwoorden.

Bij de felle, uitslaande brand op 12 mei 2000 ging 480.000 kilo chemisch afval, waaronder giftige stoffen als cadmium, lood en dioxine, de lucht in.

Het openbaar ministerie in Leeuwarden heeft de drie directeuren en het bedrijf als rechtspersoon brand door schuld ten laste gelegd. Ze worden ervan verdacht ,,roekeloos en zeer onvoorzichtig chemische brandbare stoffen te hebben ingezameld en opgeslagen'', stelt de Leeuwarder persofficier O. Brouwer. ,,Verschillende soorten afval, zoals aceton, pcb-houdende olie en fixeer, zijn bij elkaar gezet en dat is niet volgens de regels gebeurd.'' Tevens wordt hen valsheid in geschrifte ten laste gelegd. Brouwer: ,,Documenten zijn niet goed ingevuld. Zwaar vervuild afval, dat direct moest worden afgevoerd is als licht vervuild in de boeken gezet.''

Volgens Brouwer heeft het technisch onderzoek zo lang geduurd, omdat het lastig was uit te zoeken om welke soorten afval het ging en wat daarvan de vervuilingsgraad was. Het OM legt de drie leidinggevenden ten laste dat ze onvoldoende oplettend zijn geweest en onvoldoende veiligheidsmaatregelen hebben genomen. De ten lastelegging opzettelijke brandstichting liet het OM vallen. Brouwer: ,,Dat kan alleen als duidelijk is dat er zo onvoorstelbaar slordig is gehandeld dat de kans voor lief is genomen dat het mis ging. Dat vonden wij te zwaar.''

Bij de aanklacht zullen ook het gevaar voor en de economische effecten op de omgeving aan de orde komen, aldus Brouwer. Als gevolg van de brand moesten veehouders hun koeien, schapen en geiten in een straal van vijf kilometer ten westen van ATF op stal houden, omdat er te hoge concentraties cadmium in het gras voorkwamen. De melk van het vee van de boeren werd gescheiden opgehaald. Bedrijven in de nabijheid van ATF lagen enkele dagen stil.

Uit onderzoek van de provincie Friesland bleek dat er geen gevaar voor de volksgezondheid was geweest. De Friese Milieufederatie en milieudeskundige L. Reijnders, hoogleraar in Amsterdam en aan de Open Universiteit, distantieerden zich overigens van deze conclusie en meenden dat de volksgezondheid wel degelijk in gevaar was.