Cannes, krachtcentrale van kwaliteit

Vanavond begint het filmfestival van Cannes. Er wordt dit jaar meer aandacht besteed aan documentaires en aan de filmgeschiedenis.

Cannes staat voor continuïteit. Terwijl overal ter wereld filmtradities afbrokkelen, er met festivalformules wordt geëxperimenteerd en het publiek het zeggen mag, gaat het grootste festival van allemaal gewoon door met waar het al 55 jaar heel goed in is: een select gezelschap van professionele kijkers trakteren op het beste wat er aan nieuwe films voorhanden is. En die krachtcentrale van kwaliteit, in het enorme, bunkerachtige Palais des Festivals, wordt omringd met tenten en kelders en hotelbars waar gebabbeld wordt: men drijft handel, verkopers en kopers nemem elkaar de maat, net als financiers, bioscoopexploitanten, pr-bobo`s, journalisten, lobbyisten en mensen die beroemd willen worden. Donderdag zijn alle 25 ministers van Cultuur van de uitgebreide Europese Unie uitgenodigd om te komen praten over `ruimte voor de Europese film', terwijl tegelijkertijd de Amerikaanse blockbuster The Matrix Reloaded in wereldpremière gaat: heel democratisch – en piraatonvriendelijk – dezelfde dag ook bijna overal elders.

Tussen de babbelaars en de kijkers begeven zich honderden zakkenrollers, hoeren, straatmuzikanten, bedelaars, kermisklanten en duizenden dagjesmensen die hopen een glimp van een ster op te vangen. Vanavond zullen ze roepen om Penelope! En misschien neemt mevrouw Cruz, hoofdrolspeelster van de openingsfilm Fanfan la Tulipe, wel meneer Cruise mee, haar nieuwe vriend Tom, zodat er nog veel harder geschreeuwd kan worden.

Een van de weinige verschillen ten opzichte van het vijfentwintigjarige regime van Gilles Jacob (nu eervol `festivalpresident') die de vorig jaar aangetreden festivalselecteur Thierry Fremaux, voorheen programmeur van de Cinematheek van Lyon, met zich meebracht, is een nog grotere aandacht in het officiële programma voor historie en voor documentaires. Vorig jaar begonnen Être et avoir en Bowling for Columbine hun triomftocht in Cannes, niet bij uitstek een documentairefestival. Naast een iets kleinere competitie, van twintig films, met relatief weinig oude bekenden, biedt de Salle Buñuel onder de nok van de bunker een uitgelezen programma van vijftien gerestaureerde oude meesterwerken. Vooral alles wat met Federico Fellini te maken heeft, is opnieuw te zien, want Cannes zet de maestro tien jaar na zijn dood in het zonnetje.

Maar in dezelfde zaal zijn ook nieuwe documentaires te zien, van bijvoorbeeld Errol Morris over de Amerikaanse minister van Defensie Robert McNamara (1961-68), van Richard Schickel over Chaplin en een heel bijzondere van Rithy Panh over de genocide in Cambodja. S21, la machine de mort Khmère Rouge zou in maart in Amsterdam het filmfestival van Amnesty International openen, maar terecht week die organisatie om Panh in Cannes meer aandacht te laten krijgen.

In zijn wonderlijke film reconstrueren beulen van de Rode Khmer en twee overlevenden in de leegstaande gevangenis hoe het er eind jaren zeventig toeging. Toonloos bekennen de mannen hoe ze schopten en sloegen, martelden, soms executeerden door iemand vier zakken bloed af te tappen. Wie dit complex binnenkwam, was al dood, en bekende alles. Een meisje van 19 mocht kiezen, of ze voor de CIA, de KGB of Vietnam had gespioneerd. Ze bekende te hebben gesaboteerd door te poepen in de operatiekamer van een ziekenhuis. Zoals wel vaker is van elk verhoor, elke moord minutieus notitie gemaakt. Ook van Panhs film zullen we nog veel horen.