Snoep koopu for de kinderu

Morgen is de tiende Nationale Voorleesdag. Bekende en minder bekende Nederlanders zullen op vele scholen weer kinderen voorlezen. Een impressie van hoe lezen en voorlezen voor de meesten van ons begint: in het gezin.

In boeken over de geschiedenis van het lezen staat vaak dat de mensen vroeger, zeker tot in de Middeleeuwen, altijd hardop lazen. Pas later zou het stillezen zijn `ontdekt'.

Of dit waar is weet ik niet – er zijn ook deskundigen die dit bestrijden.

Wel weet ik dat lezen bij kinderen altijd begint met voorlezen. Gek genoeg is dat kennis die je snel vergeet, althans zo ging het bij mij. We zijn zo gewend onderscheid te maken tussen stillezen en voorlezen, dat je het opnieuw moet meemaken om te zien dat schrijven, lezen en voorlezen bij jonge kinderen aanvankelijk één pot nat is.

Het afgelopen half jaar heeft Benjamin, ons jongste kind, leren lezen en schrijven. Hij is nu zes, en na een slome start begint hij het aardig onder de knie te krijgen. Dat heeft hem veel energie gekost. Omdat wij van school te horen kregen dat hij wel een extra steuntje kon gebruiken, namen wij op een gegeven moment bijna dagelijks een eenvoudig leesboekje met hem door. Zo'n boekje dat wemelt van de korte woorden, zoals maan, bal en pan.

Soms, als dat zo uitkwam, oefenden we met hem aan tafel, direct na het avondeten. Tussen de pakken vla en yoghurt vroegen we dan: ,,En welke letter is dit?'' ,,Een buh.'' En dit: ,,Een ah.'' En wat is de laatste letter? ,,Een luh.''

,,Nou en wat staat daar dan?''

,,?''

,,Kom op, buh, ah, luh. Wat staat daar? Zeg het maar eens snel achter elkaar. Buh, ah, luh. Buh-ah-luh.''

Tot onze verbijstering, en tot grote hilariteit van zijn oudere broer en zus, zei Benjamin vervolgens dingen als pap. Of vla – of iets anders dat totaal niet op buh-ah-luh leek. Soms moest er wel tien keer b-a-l worden gelezen voordat het kwartje viel. Dat ging dan altijd gepaard met een grote opluchting, gecombineerd met verbazing. ,,Bal! Er staat bal!'' Aan alles zag je dat die verbazing vooral voortkwam uit het feit dat hij zojuist een woord had ontrafeld dat te maken had met een voorwerp dat hij buitengewoon goed kende. Je zag als het ware het woord en de zaak in zijn verbeelding langzaam samenvallen.

Die verbazing heb ik later nog heel vaak gezien. Binnen een paar maanden ging het lezen veel beter. Mijn vrouw liet hem meelezen in de boekjes die zij voorlas.

Zij las de eerste zin en hij de tweede; of hij van iedere zin het laatste woord, of zij de linker- en hij de rechterpagina. Vooral bij lange woorden won de verbazing het keer op keer. ,,Ver vrèselijk vreselijk!''

Later kreeg hij er ook lol in om over mijn schouder mee te lezen in de krant. Zo riep hij op een dag, nadat hij letter voor letter een kop had gespeld, opeens: ,,Daar staat Foute Mannen!'' (Het stuk ging over de vraag ,,Waarom vallen jonge vrouwen zo vaak op foute mannen?'')

Met het lezen vlotte het schrijven. En met het schrijven het besef dat woorden soms heel anders klinken dan je ze spelt. Zo zei hij pas: ,,Pappa, je zegt kijk-kuh, maar je schrijft kijk-ken.'' En: ,,Mamma, nou weet ik het. Als je zegt meer, dan is het niet met ir, maar met mmm eeeeer. Maar je zegt mir.''

Ondertussen spelt hij de woorden zoals hij ze hoort. En toevallig schrijft hij errug veel. Dat heeft verschillende redenen. In de eerste plaats is mijn vrouw een correspondentie met de kinderen begonnen op de pc, op digitale post-it-stickers op het bureaublad. Dat levert allerlei vragen en mededelingen op. Zoals: ,,Mam mag ik rutgur op belun? mam kus ben doeg.'' En: ,,Hoe ging het bij het wingkolsenturum???? ik dagt ut wel tog? mam wat aardug dat je nog een berigje stuurt? juulie netsoo lief pap en mam xxx ben.'' En ook: ,,Mam ik gaa speelu hoe was het op jou weruk dat fraag ik mij af?? fur tel het op het pu rigju [berichtje] gaag?''

Daarnaast plakt en legt hij overal in het huis briefjes. Op de deur van zijn zus las ik eens ,,doei stome jet'', en op de deur van zijn broer ,,stiin is een kutjog''. Maar de grootste hoeveelheid fonetisch gespelde tekst lezen wij op briefjes waarop Benjamin afspraken met ons bevestigt. Sinds een paar maanden maakt hij er een punt van om allerlei afspraken – over hoe laat hij mag opblijven, over wanneer hij niet hoeft over te blijven, over wat we straks gaan kopen of halen – vast te leggen op een briefje. Dat heeft een buitengewoon dwangmatige kant. Als je in een winkel tegen hem zegt ,,straks op de terugweg kopen we bij een tankstation voor iedereen een snoepje'', dan rust hij niet voordat dit is opgeschreven. Let wel: dit moet stante pede gebeuren, meteen daar in de winkel. Hij vraagt om een pen en een papiertje, of hij regelt die zelf, en zittend op de grond of elders legt hij contractueel vast wat er zojuist is toegezegd. ,,Vij gaan snoep koopu for de kinderu.'' ,,Ben mag mogu un fiedieoo koope van mam haar gelt.'' ,,Donderdag gaat ben thuis eetu. Mam haalt ben op!'' ,,Mam vu zouden tog als vu trug zijn moge ve tog musgien als vy gen ruusie maaku tog een snoepje in de wingkol.''

Wij bezitten inmiddels tientallen van dit soort afspraakbriefjes. Soms staat er een tekeningetje bij, maar meestal bestaan ze alleen uit tekst.

Het zijn teksten die wij altijd hardop moeten voorlezen, en sommige woorden zelfs een paar keer, voordat we begrijpen wat er staat.