Overheid werkt vrouwenhandel in de hand

Oost-Europese prostituees mogen op grond van Associatieverdragen hier aan de slag. Met de pogingen van Nederland om dat te verhinderen krijgen handelaars in mensen alle ruimte, menen Hans Scholtes, Michiel Tjebbes en Marjan Wijers.

Nederland miskent het recht van prostituees uit kandidaat EU-landen om hier te werken

De vaste Kamercommissie voor Justitie buigt zich donderdag over de ontwikkelingen in de prostitutiebranche na de opheffing van het bordeelverbod in oktober 2000. Ongetwijfeld zal aandacht worden besteed aan de positie van buitenlandse prostituees en de criminele randverschijnselen die met hun komst naar Nederland gepaard kunnen gaan: het gebruik van valse paspoorten en verblijfsdocumenten, schijnrelaties en vrouwenhandel.

Die aandacht is terecht. Van oudsher zijn veel vrouwen die in Nederland in de prostitutie werkzaam zijn, afkomstig uit landen van buiten de EU. Onder hen zit een aanzienlijk aantal slachtoffers van vrouwenhandel, alsmede slachtoffers van andere vormen van dwang en uitbuiting. Een groot deel van deze vrouwen is afkomstig uit Midden- en Oost- Europese landen, met name Bulgarije, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Polen en Roemenië.

Dat is allemaal bekend. Het is dan ook vreemd dat in geen van de rapporten en onderzoeken die na de wetswijziging zijn verschenen, aandacht wordt besteed aan het feit dat onderdanen uit deze landen die zich in Nederland willen vestigen als zelfstandig prostituee daartoe het volste recht hebben, op grond van de zogeheten Associatieverdragen die de EU met een groot aantal kandidaat-lidstaten in de jaren negentig gesloten hebben. Daarmee wordt voorbijgegaan aan een voor de hand liggende mogelijkheid om vrouwenhandelaren de wind uit de zeilen te nemen. Sterker, door te proberen tegen te houden dat vrouwen van dit recht gebruik maken, werkt de Nederlandse overheid vrouwenhandel in de hand in plaats van deze tegen te gaan.

Volgens de Associatieverdragen hebben onderdanen uit de desbetreffende kandidaat EU-landen het recht zich in Nederland (en andere EU-lidstaten) te vestigen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Bovendien mogen ten aanzien van ondernemers of zelfstandige beroepsbeoefenaars uit deze landen geen andere maatstaven worden gehanteerd dan ten aanzien van Nederlandse zelfstandigen.

Van begin af aan heeft Nederland geprobeerd te voorkomen dat prostituees uit de Associatielanden gebruik zouden maken van dit recht. Zo werd bijvoorbeeld gesteld dat prostitutie geen economische activiteit was, dat alle vrouwen uit deze landen slachtoffer waren en dus per definitie geen zelfstandige konden zijn, en dat prostituees geen `echte' ondernemers waren.

Echter, al in november 2001 maakte het Europese Hof van Justitie uit dat prostitutie wel degelijk valt onder het begrip `economische activiteiten anders dan in loondienst' in de zin van de Associatieverdragen. Daarvoor moet wel wanneer vaststaan dat zij door de dienstverrichter wordt beoefend zonder enige gezagsverhouding met betrekking tot de keuze van de activiteit, de arbeidsomstandigheden en de beloning; onder zijn eigen verantwoordelijkheid; en tegen betaling volledig en rechtstreeks aan hem.

Wel mag de nationale rechter in individuele gevallen toetsen of aan deze voorwaarden is voldaan. Ook verzetten de Associatieverdragen zich niet tegen een controle vooraf om te bepalen of werkelijk sprake is van zelfstandige arbeid en of betrokkene daarmee van meet af aan voldoende zal verdienen. Prostituees uit deze landen hebben derhalve het recht zich in Nederland te vestigen als zelfstandige, mits zij kunnen aantonen daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam te (zullen) zijn.

Hoewel deze uitspraak dateert uit 2001, is er nog steeds geen helder en eenduidig beleid. Er bestaat onduidelijkheid over de voorwaarden waaraan voldaan moet worden; er worden eisen gesteld waaraan niet voldaan kán worden (zoals inschrijving bij de Kamer van Koophandel alleen mogelijk voor ondernemingen maar niet voor beroepsbeoefenaars, zoals advocaten, artsen of prostituees); of er worden eisen gesteld die niet voor andere (Nederlandse) zelfstandige beroepsbeoefenaars gelden. Op aanvragen wordt niet of slechts met grote vertraging beslist. En áls justitie gedwongen wordt op een aanvraag te beslissen, dan wordt deze afgewezen op grond van argumenten die evident in strijd zijn met de Europese rechtspraak, en langdurige procedures bij de rechter onvermijdelijk maken.

Nederland laat op deze manier een belangrijke kans liggen om een florerende handel in mensen aanzienlijk te reduceren. Vrouwenhandel gedijt immers bij onduidelijkheden in het beleid. De ronselaars en sjacheraars die vrouwen uit Tsjechië of Bulgarije naar Nederland halen of die hier `bemiddelen' bij het zoeken naar illegale werkplekken of het verschaffen van vervalste paspoorten, zullen hun negotie in elkaar zien zakken zodra blijkt dat vrouwen uit die landen via reguliere migratie, zonder hun tussenkomst en geheel legaal, in Nederland als zelfstandig prostituee kunnen werken.

In plaats van uit alle macht proberen tegen te houden dat prostituees gebruik maken van hun recht op vestiging als zelfstandige, doet Nederland er dan ook wijzer aan om met een duidelijk en reëel beleid – in overeenstemming met de Europese rechtspraak en regelgeving – te komen, zodat betrokkenen precies weten waar zij aan toe zijn, aan welke eisen moet worden voldaan en hoe de toelatingsprocedure, die niet meer dan enkele maanden in beslag dient te nemen, verloopt. Op die manier kan er voor gezorgd worden dat vrouwen hun zaken zelf kunnen regelen en worden malafide `bemiddelaars' buiten spel gezet.

Mr. Hans Scholtes is directeur van de Mr A. de Graaf Stichting te Amsterdam, Instituut voor prostitutievraagstukken. Mr. Michiel Tjebbes is advocaat bij Everaert Advocaten te Amsterdam en gespecialiseerd in Vreemdelingenrecht. Mr. drs. Marjan Wijers is senior beleidsmedewerker bij het Clara Wichmann Instituut, expertisecentrum vrouw en recht, in Amsterdam.