`Ik doe wat ik wil'

Erik de Vlieger maakte van het naaimachinebedrijfje van zijn vader een miljardenonderneming van vastgoed, scheepswerven, vliegtuigen, tijdschriften. Deze winter mislukte de overname van de Franse luchtvaartmaatschappij Airlib. Ook kreeg hij Het Parool niet te pakken. Hij wil nu zelf een krant beginnen.

Als iets invloed heeft gehad op Erik de Vlieger (43), dan is het wat zijn vader hem vertelde over zijn ervaringen met gevestigde ondernemingen – in zijn geval de naaimachinefabrikanten Singer en Pfaff. Zijn vader, fietsenmaker in Bentveld bij Haarlem, had uit een boekje geleerd hoe hij naaimachines moest repareren en met die kennis begon hij in 1948 voor zichzelf. Machines opkopen, weer als nieuw maken, doorverkopen. Op een dag had hij onderdelen van Singer nodig. Of van Pfaff, dat doet er niet toe. Hij komt bij het loket, de man erachter vraagt: Imca? De Vlieger? En hij zegt: aan u leveren wij niet. Daar moet Erik de Vlieger – eigenaar van scheepswerven, vliegtuigen, tienduizenden vierkante meters kantoor op alle toplocaties in Amsterdam, tijdschriften, een drukkerij en binnenkort misschien ook van een radio- en televisiezender en van een krant – dus nog vaak aan denken. l'Histoire se repète. Op zijn vader keken ze neer. Op hem kijken ze ook neer, nog steeds.

Zijn vader was dyslectisch, net als hijzelf trouwens. Maar zijn vader was niet bang, niet commerciéél bang, en hij had de gave om de juiste mensen om zich heen te verzamelen. Ook net als hijzelf. Zijn vader zocht uit waar hij de onderdelen die hij nodig had dan wel kon krijgen, reisde naar Japan en liet ze voortaan daar produceren – exclusief voor Imca. Toen Erik de Vlieger geboren werd, in Haarlem, 1959, had zijn vader zeven man personeel. Tien jaar later waren het er honderd. Maar Erik de Vlieger groeide niet in weelde op. Bij hem thuis waren ze geen materiemensen. En hijzelf is dat nog steeds niet. Een goede auto, ja. Een huis zonder lekkende kozijnen, ook ja. Maar geen twee auto's, of twee huizen. Van niets iets maken, dat is wat hem altijd gedreven heeft. Meer. Groter. Beter. Maar niet om vervolgens op zijn lauweren te gaan rusten en te rentenieren in Zuid-Frankrijk. Hij zou doodgaan.

Het begon al toen hij nog op school zat, op de havo-afdeling van het Coornhert Lyceum in Haarlem. Hij werd penningmeester van de leerlingenvereniging en samen met de voorzitter maakte hij er binnen een jaar een amusementsbedrijf van met een omzet van 33.000 gulden. Ze organiseerden feesten met goeie artiesten, zodat er voor de kaarten hoge prijzen konden worden gevraagd. En met de opbrengst huurden ze populaire films, waarvoor ze ook weer een hoge entree konden vragen. In de vierde bleef hij zitten, dat wel. En in de vijfde werd hij van school gestuurd wegens spijbelen. Reed hij 's morgens eerst met zijn eigen auto naar restaurant Dreefzicht om koffie te drinken, en dan had hij echt geen zin meer in Engels of wiskunde. Evengoed haalde hij zijn eindexamen, cum laude. Gewoon omdat hij zelf aan het leren was gegaan, op zijn manier, op momenten dat het hem uitkwam. Had ik de documentaire gezien die Hans Polak van de VARA over hem maakte? Daarin zei zijn vader dat hij nooit vat op zijn zoon had kunnen krijgen. Zo is het altijd geweest. Niemand krijgt vat op Erik de Vlieger. Erik de Vlieger doet wat hij wil.

Na dat eindexamen ging hij voor een half jaar naar Engeland, op advies van zijn broer die zes jaar ouder was en al bij zijn vader in de zaak zat. Zelf had hij altijd gezegd dat hij nooit bij Imca zou gaan werken. Maar het gebeurde toch. Eerst reed hij met antiek van Leeds naar Londen. Daarna begon hij zich te verdiepen in knoopsgaten- en breimachines. Het was 1978, alle vrouwen droegen gebreide vestjes met borduursels en knoopjes. De machines waarmee die werden gemaakt waren niet aan te slepen. En hij zag ze staan bij een handelaar in Birmingham. Hij róók de deal en kocht ze zonder dat hij er al een afnemer voor had. En wat hij kocht voor één, deed hij van de hand voor twee. Toen brak het virus pas goed los. Na een paar weken had hij alle knoopsgaten- en breimachines in Engeland gekocht en naar de ateliers in India getransporteerd. Na een paar maanden haalde hij in Canada hele fabrieken leeg.

Toen bedacht hij dat hij zelf machines wilde gaan produceren. Singer en Pfaff zeiden tegen hun afnemers dat ze dít maakten, take it or leave it. Hij wilde iets maken waar de afnemers om vróegen. Het toeval wilde dat hij in Tsjechië voor zeven miljoen gulden een fabriek voor knoopsgatenmachines kon overnemen, de ijzergieterij erbij, 250 man personeel, dochter van een beursgenoteerde onderneming. Een vieze vervuilde zooi was het, met mensen die niet gewend waren aan loon naar werken. Geen kunst om de productie op te voeren en de kostprijs omlaag te brengen. Binnen een paar jaar had hij zijn concurrenten zoveel pijn gedaan dat één ervan, een Amerikaan, met een bod op zijn fabriek kwam. Meer dan veertien miljoen. Met de winst kocht hij het moederbedrijf – stiekem. Het waren de beginjaren van de markteconomie in Oost-Europa, regels golden er nog nauwelijks. Een meldingsplicht voor een belang groter dan vijf procent bestond niet. Plukje voor plukje kocht hij de aandelen van dat moederbedrijf op, totdat hij een belang van meer dan 60 procent had. Daarmee ging hij naar de aandeelhoudersvergadering. Bij de rondvraag zei hij: Ik stel voor dat er een nieuwe directeur komt.

Zo werd hij, nog geen 30 jaar, eigenaar en directeur van een conglomeraat van textielmachinefabrieken, staalproductiebedrijven, 250 hectare grond, een hotel met een zwembad, en een spoorwegstation. Eerst keken de Tsjechen vreemd tegen hem aan. Zo'n jonge jongen in een paars jasje. Ze begrepen al snel dat hij geen filantroop was. Maar ze zagen ook dat hij niet te beroerd was om zelf de handen uit de mouwen te steken. Een saneerder is hij nooit geweest. Hij koos de weg van de omzetvergroting. Dus verhoogde hij de salarissen van de mensen die aan de productielijnen stonden. Hij zette bonussen in op de output. Tegen de managers zei hij: geen resultaat? Eruit! En zo doet hij het nog steeds. Mensen krijgen bij hem alle ruimte. Hij laat ze volop meeprofiteren. Maar als ze niet presteren, zich niet 100 procent voor hem inzetten en gaan lopen zeuren, dan vliegen ze eruit. Weg! Weg! Weg!

Zijn vader en zijn broer waren er trouwens geen voorstander van, dat hij die fabrieken kocht. Een handelsmaatschappij moest geen productiebedrijf willen worden, zeiden ze. Volgens experts was dat een traditionele vergissing. Hij trok zich er niks van aan. Hij heeft zich nooit wat aangetrokken van experts en analisten en andere stuurlui aan wal. Als ze tegen hem zeggen: zo werkt het niet, dan zegt hij: waarom niet? Omdat iemand dat 80 jaar geleden besloten heeft? Hij ging in vastgoed toen iedereen zei dat het slecht ging met het vastgoed. Het was gewoon niet waar: het ging slecht met de verhuur van lege gebouwen, maar dat was wat anders. Hij kocht voor spotprijzen lege kantoren, knapte ze op, verkocht ze aan beleggers en investeerde de winst in andere lege kantoren. En kijk nu. Het ontwikkelingsvolume dat hij bezit is alleen in Amsterdam al meer dan een miljard euro waard.

De marktleider in textielmachines was destijds Durkopp-Adler, in Duitsland. En uitgerekend Durkopp-Adler wilde een deel van de productie aan hem uitbesteden. Toen bedacht hij een snood plan. Samen met ABN Amro en Alpinvest besloot hij een bod uit te brengen op Durkopp-Adler. Een half jaar lang liep hij te duwen en te trekken tot de deal rond was. En toen opeens liep het hem dun door de broek. Nooit had hij angst gekend. Maar toen werd hij bang. Alpinvest had als voorwaarde gesteld dat hij de nieuwe combinatie moest gaan leiden. Hij moest verhuizen naar Bielefeld. Wist ik wel hoe het daar was? Zonder vrienden, zonder familie? Weg uit Amsterdam? Een paar dagen voor de ondertekening van het overnamecontract heeft hij afgezegd. Het kostte hem een paar miljoen. Kon hem niks schelen. En het kwam bovendien weer helemaal goed, want korte tijd later belde Durkopp-Adler. Of zíj het bedrijf in Tsjechië dan konden overnemen.

Miljoenen had hij en geen fabrieken meer. Hij had alleen de naam van zijn bedrijf nog. Imca. Maar hij wilde geen handelsmaatschappij meer zijn. Als je gewend bent om met regeringen te onderhandelen over de exploitatie van ijzermijnen, dan wil je niet meer met een atelierbaas praten over een textielmachine. Hij wist: ik ga in vastgoed, in luchtvaart, in media. Aan scheepswerven en kranenbouw had hij nooit gedacht, die kwamen vanzelf op zijn pad. Toen de crisis in het vastgoed voorbij was en er geen leegstand meer was, zei hij: we gaan zelf bouwen. Al snel was hij de vierde projectontwikkelaar in Nederland – tussen uitsluitend beursfondsen.

Hij weet dat zijn succes argwaan wekt, dat het in verband wordt gebracht met zwart geld, met drugs. Woedend kan hij ervan worden. Hij zou niet eens weten hoe dat moet, zwart geld investeren in vastgoed. Zwart geld, dat is iets voor pandjesbazen. Hij werkt op een heel ander niveau. Waar zou het zwarte geld vandaan moeten komen? Hoe zou hij het wegkrijgen? Hoe moest het dan bij de notaris en de bank? Hij zou doodongelukkig worden. Hij weet wel hoe die verhalen in de wereld komen. Ze komen van mensen die hun eigen onvermogen uiten in frustratie. Ze denken: we moeten die De Vlieger toch kunnen verslaan. Het lukt ze niet. Dus zeggen ze: wat hij doet, kan niet, het zal wel niet deugen. Maar heeft iemand ooit één flintertje bewijs kunnen leveren dat hij zich met verkeerde praktijken bezighoudt? Hij heeft besloten: alle journalisten die schrijven dat het wél zo is, zal hij voortaan hard aanpakken. Erik de Vlieger laat niet met zich sollen.

De omvang van de transacties – dat sprak hem aan in het vastgoed en de projectontwikkeling. Het Elseviergebouw, de Millennium Tower in Westpoort, de scheepswerven in Amsterdam-Noord, het conservatorium in het centrum. Hij kreeg er invloed mee op de ontwikkeling van de stad. En dat is wat hij wil. Een belangrijke partij zijn. Een partij waar mensen niet omheen kunnen. En dan moet je geld hebben, en massa. Maar hij zou nooit met zijn bedrijf naar de beurs gaan. Voor het beurssysteem, met aandeelhouders en andere mensen die zich met jou bemoeien, is hij ten enenmale ongeschikt. De waarde van wat hij doet zou dan uitgedrukt worden in de waarde van de aandelen. En die wordt bepaald door wat analisten van jou denken. Door mensen die geen bal verstand hebben van wat jij doet.

Persoonlijk bemoeit hij zich nauwelijks meer met de vastgoedpoot van Imca. Na een paar jaar was hij totaal afgeknapt op het geroddel in die wereld, het elkaar misgunnen van deals, de afgunst. Had hij net een pand gekocht, hoorde hij de concurrent alweer zeggen: ik heb er ook naar gekeken. Boodschap: ik vond het niet goed genoeg. Of snel naar jouw bankier gaan om te zeggen wat voor slechte deal je van plan was te doen. En dan zelf de deal pakken. Scheepbouwer van KPN – dat is de laatste keer dat hij gehuild heeft. Die vroeg hem een bod op een van zijn gebouwen te doen. Bleek dat hij al een bod had. Ging die met Erik de Vliegers hogere bod naar de concurrent. De concurrent kwaad op Erik de Vlieger. En niks zeggen hè, Scheepbouwer. Hem gewoon de kolere laten krijgen. Hij weet nu: vastgoed trekt de verkeerde soort mensen aan. Weinig scholing, veel snel geld. Cor van Zadelhoff, dat is een van de weinigen die erboven uitstijgen. Voor díe man heeft hij respect. En hij heeft gemerkt: Cor van Zadelhoff heeft ook respect voor hém.

Het zou gemakkelijk moeten zijn om te zeggen: wat kan het schelen. Wat maakt het uit als mensen hem niet serieus nemen. Maar het kan hem wél schelen. Hij is trots – trots op zijn vier kinderen, zijn familienaam, zijn bedrijf. Daar moet iedereen zijn bek over houden. Laat hem met rust. Weet ik dat hij 27 vliegtuigen heeft? Ook zoiets waar de experts van zeiden: nooit doen, in de luchtvaart valt geen geld te verdienen. Nee, aan de exploitatie van vliegtuigen kun je geen geld verdienen. Maar als je de vliegtuigen ook bezít, dan wordt het interessant. Eerst betaalde hij 5 miljoen gulden per jaar aan de leasemaatschappij voor de toestellen die hij voor zijn eigen luchtvaartmaatschappijtjes liet vliegen. Toen kwam 11 september, boem, iedereen in paniek. De leasemaatschappij vraagt: kunt u de huur nog wel betalen? Hij zegt: laat mij de kisten maar kópen. Goed, 25 miljoen gulden, 6 procent rente, 1,5 miljoen per jaar – maar nu bouwt hij waarde op. In die kisten zit een fantastische stille reserve. Nee, nee, nee, zeggen de experts. Hou je balans kort! Niet te veel aanwas! Onzin. Dit is de rekensom. Zo simpel is het.

Airlib ging niet door omdat de risico's te groot werden. Niet omdat de Fransen hem niet serieus namen. Ja, er was een staatssecretaris die hem niet serieus nam. Maar de Franse minister van Transport en de premier namen hem wel serieus. Alleen, ze wilden dat hij garant zou staan voor de sociale lasten van 3.500 werknemers. En dat wilde hij niet. De directeur van Airlib was dit najaar naar hem toegekomen. Een ontzettend lieve man, oud-vakbondsleider, communist, maar overgoten met een kapitalistisch sausje. Hij zit nu wel in de problemen, want het hele verleden van zijn bedrijf wordt nu binnenstebuiten gekeerd. Pay back day. Maar hem kon het weinig schelen dat de overname niet doorging. Het was geen failure, dat maakten journalisten ervan. Dat vinden journalisten lekker, om te schrijven dat iets mislukt is. Ze vergeten dat de afgelopen tien jaar 350 andere transacties wel zijn gelukt.

Nee, de enige echte teleurstelling is dat hij Het Parool niet kon overnemen. Een eigen krant – dat leek hem als jongen al fantastisch. Met een krant kun je pas echt invloed uitoefenen. Toen Het Parool te koop kwam, heeft hij zich meteen aangemeld. Hij heeft gepraat met de redacteuren, hun verteld wat hij in zijn hoofd had. Twee kranten wilde hij gaan maken, een regionale en een landelijke. Eén in de ochtend en één in de avond. Aardige mensen vond hij het, en de hoofdredacteur was een hartstikke goeie kerel. Hij begrijpt niet wat er mis is gegaan. Of eigenlijk begrijpt hij het wel. Er kwam een adviesbureau dat de redactie moest bijstaan, deskundigen van buiten. Tien partijen hadden interesse, drie werden er geselecteerd voor een beauty contest, uiteindelijk bleven de Belgen over. Misschien waren ze bang voor hem. Misschien vonden ze dat hij een te grote bek had.

Nu heeft hij zelf een plan voor een compleet nieuwe krant gemaakt, het concept ligt al klaar. Een drukkerij bezit hij zelf, nu de distributie nog. Het moet een krant worden waarin alles tot op de bodem wordt uitgezocht, waarin helemaal niets voor vanzelfsprekend wordt aangenomen, waarin alles anders gaat dan bij de gevestigde kranten. Hij zoekt nu honderd jonge mensen die nog nooit een stuk hebben geschreven. Schone, onbelaste geesten die hij vanaf het begin kan kneden tot de journalisten die hij nodig heeft. Hij zal laten zien dat ook in de krantenwereld de wetten en waarheden waar iedereen zo aan hecht in werkelijkheid onzin zijn.