Haargroeirichting

Over de verschrikkingen die de behaarde vrouw ten deel vallen las ik zaterdag een aangrijpend artikel in de bijlage Leven &cetera;. Vanaf pakweg de Grieken is behaardheid geassocieerd met dierlijkheid, en onbehaardheid met jeugd. De Amerikaanse psychologe Susan Basow deed onderzoek naar beharing. ,,Vrouwen met lichaamshaar worden niet alleen minder aantrekkelijk gevonden, zij zouden ook minder sociaal en intelligent zijn. Bovendien is de verwachting dat deze vrouwen minder gelukkig zijn.''

Dat er daarom massaal onthaard wordt mag geen wonder heten. En hier betreedt de behaarde vrouw een nieuwe hel: het universum van naar rotte eieren riekende ontharingscrèmes, schrapende scheermesjes, de martelgang van het pincet of de ontharingshars, of simpelweg de verschroeide haarzakjes na laserbehandeling. Ik ken die hel.

Als wielrenner onthaarde ik mijn benen. De voornaamste reden was een massagetechnische: het voorkomen van haarzakontstekingen èn het voorkomen van brandblaren in de handpalmen van de soigneur. Ik begon er mee toen ik veertien was. Het ontharen bleek een vak apart. De Gillette – het prille begin – leverde op wat ze had moeten voorkomen: haarzakontstekingen op een onvermoede schaal. Zowel links als rechts bestond ik uit één gigantische haarzakontsteking. Ik besloot elektronisch te gaan.

De drie koppen van Philips waren een weldaad voor de huid. En glad dat die huid werd. Jammer genoeg had Philips zijn messen niet op stro-dik haar ontworpen. Per been had ik ongeveer een uur nodig. Daar kwam nog bij dat de scheerapparaten net als de gloeilampen van hetzelfde merk op een bepaald aantal branduren waren geproduceerd. Ik vrat scheerapparaten. Dat kon bruin niet trekken.

Ontharingscrème. Insmeren, laten inwerken, afspoelen onder de douche, haar verstopt het doucheputje – en wat dan nog, want een glanzend resultaat. Door slordig gebruik is ook de halve schaamstreek weg. Een paar dagen later: korsten. Een allergie? Huisarts schreef zalf voor die nogal stonk en een onaantrekkelijk film gaf. Ontharen werd een wanhoopsdaad.

Bij wijze van experiment legde ik een strookje hars aan. Het deed geen pijn, tenminste het deed niet meer pijn dan het losrukken van een pleister. Maar het idee dat haarwortels rücksichtslos uit hun wortelzakjes getrokken werden kwam me toch als onnatuurlijk, ja zelfs als pervers voor. Het kan inbeelding zijn maar toch meen ik dat, vooral bij weersveranderingen, dit experimentele strookje op mijn rechterscheenbeen nog steeds opspeelt.

Ik kwam tenslotte door mijn jeugd door de Gillette tegendraads te gebruiken. Dat wil zeggen: ik schoor niet tegen de haargroeirichting in, ik schoor met de haargroeirichting mee minder glad maar vrijwel ontstekingsloos.

Ik vond een oplossing. Later, veel later. Meer daarover een volgende keer. Mijn doel is bereikt als de lezers en lezeressen van dit stukje, bij de aanblik van een wielerpeloton op de televisie of in de vrije natuur, beseffen: die lui daar, ze koersen als dwazen, maar als het er op aan komt zijn ze solidair met de behaarde vrouw.