Versperringen op routekaart

Nuchterheid zal het nieuwe stappenplan naar vrede tussen Israël en de Palestijnen meer helpen dan goede persoonlijke verhoudingen, meent Omar Dajani.

Onlangs nam ik afscheid van Palestina. Ik was daar sinds september 1999, toen de pas gekozen Israëlische regering van Ehud Barak en een Palestijnse leiding die nog werd beheerst door Yasser Arafat, net waren overeengekomen dat ze binnen een jaar een duurzame oplossing voor het Palestijns-Israëlische conflict zouden vinden. Als juridisch adviseur van het Palestijnse onderhandelingsteam hoopte ik bij te dragen – en deel te hebben – aan een uitzonderlijke gebeurtenis: de eindfase van het vredesproces in het Midden-Oosten. Minder dan vier jaar later kunnen maar weinig Palestijnen het woord `vredesproces' zeggen zonder te huiveren.

Breekt er nu een nieuw tijdperk aan? Vorige maand werd de benoeming bekrachtigd van Mahmoud Abbas (Abu Mazen) tot de eerste premier van de Palestijnse Autoriteit. Hij brengt een nieuw kabinet met zich mee dat wordt gevormd door uitgesproken critici van de status-quo maar ook door traditionele verdedigers daarvan. In zijn inhuldigingsrede beloofde Abu Mazen hervorming van de Palestijnse overheidsinstellingen, herstel van de orde in de Palestijnse gebieden, en bestendiging van het gezag onder ,,één wet, en één democratische en nationale besluitvorming die geldt voor ons allen'' – een indirecte uitdaging aan het adres van de islamistische organisaties die met de Palestijnse Autoriteit om de politieke en militaire heerschappij wedijveren. De regering van Israël overweegt nu een reeks maatregelen om het werk van de nieuwe Palestijnse regering te vergemakkelijken. En de VS hebben gereageerd met het jongste vredesplan voor het Midden-Oosten, de `routekaart' die ze afgelopen najaar hebben uitgestippeld in samenwerking met de Verenigde Naties, de Europese Unie en Rusland (het zogeheten Kwartet).

Maar de weg vooruit zou wel eens geblokkeerd kunnen worden door de weg die al is afgelegd. De gemoedstoestand van de Palestijnen is heel anders dan die van de opgewonden diplomaten in Jeruzalem en Tel Aviv, van wie menigeen daar in 2000 werd gestationeerd in de verwachting te kunnen helpen bij de uitvoering van een vredesakkoord, en in plaats daarvan machteloos de Palestijns-Israëlische betrekkingen heeft zien verpieteren. Nu spreken deze opgeleefde diplomaten weer over het einddoel van dit stappenplan: twee staten, een veilig Israël en een levensvatbaar, democratisch Palestina, die in vrede naast elkaar leven. En ook al vermijden alle partijen zorgvuldig om de nieuwe inspanningen te verbinden met het proces dat voortkwam uit de vredesakkoorden van Oslo, die de Israëlische en Palestijnse leiders in 1993 ondertekenden, de Palestijnen zullen de routekaart – en elk volgend initiatief – beoordelen op grond van hun ervaringen in de afgelopen tien jaar.

De lessen uit die jaren waren te pijnlijk om aan voorbij te gaan en mogen nog wel eens worden nagelopen. Ten eerste weegt geen enkele vredesles of hooggestemde verzoeningsretoriek op tegen het verzuim de levensomstandigheden van de Palestijnen te verbeteren. Het gaat daarbij niet om economische hulp of het scheppen van werkgelegenheid; het gaat om bewegingsvrijheid. De meeste Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever mogen al bijna twee jaar hun steden en dorpen niet uit – en ook al vóór de intifada werden ze geconfronteerd met de willekeurige en vaak vernederende behandeling bij de militaire controleposten. De beperkte bewegingsvrijheid is het krachtigste symbool van de militaire bezetting. Deze realiteit heeft de Palestijnse regering irrelevant gemaakt voor het dagelijks leven van veel van haar onderdanen.

De geografische versplintering van de Palestijnse gebieden heeft ook tot politieke versplintering geleid, waardoor de taak van Abu Mazen om te komen tot ,,één democratische en nationale besluitvorming die geldt voor ons allen'' buitengewoon moeilijk zal zijn.

Ten tweede moet een rechtsstaat niet alleen worden beschouwd als een mensenrechten-doelstelling, maar ook als grondslag voor politieke legitimiteit en doelmatigheid. Tijdens het Oslo-proces deden Israël en de VS een beroep op de Palestijnse veiligheidsdiensten alle noodzakelijke maatregelen te nemen om terrorisme te voorkomen; het beginsel van een eerlijk proces moest even wijken of werd geheel terzijde geschoven. Leden van oppositiepartijen werden zonder aanklacht maandenlang vastgehouden en de rechterlijke macht was te zwak voor een geloofwaardige rechtspraak. Daardoor raakte de Palestijnse wetshandhaving zo verweven met de politieke stemming van de dag, dat ze in tijden van crisis nog maar moeilijk te ontwarren was.

Nadat de intifada was losgebarst ontbrak het zodoende de Palestijnse Autoriteit aan de legitimiteit en de wettelijke grondslag om gevangenen in bewaring te houden. Hun vrijlating bevestigde de Israëliërs alleen maar in hun overtuiging dat de Palestijnse Autoriteit het terrorisme steunde; hun opsluiting wekte de hoon van de Palestijnen die vonden dat de Palestijnse Autoriteit naar Israëls pijpen danste. De Palestijnse Autoriteit heeft herhaalde malen geprobeerd haar gezag te doen gelden door de opvallendste geweldplegers gevangen te zetten, maar stuitte daarbij op betogingen en volksverzet.

Als de Palestijnse Autoriteit zich weer gaat belasten met de veiligheidscontrole in gebieden die onder haar gezag vallen, zal onvermijdelijk weer de roep klinken om ingrijpende maatregelen tegen de oppositie te nemen, vooral tegen de groeperingen die het nauwst verbonden zijn met gewelddadig optreden. En hoewel de Palestijnse Autoriteit alles kan en moet doen wat in haar macht ligt om terrorisme te voorkomen, moet ze als verantwoordelijke regering ook haar macht uitoefenen binnen de grenzen van haar wetgeving.

Ten slotte zijn persoonlijke verhoudingen belangrijk, maar ze volstaan niet als betrouwbare basis voor vrede. Het vredesproces van Oslo berustte grotendeels op persoonlijkheden, en ging daarmee ook ten onder. Verplichtingen werden opzijgezet en instellingen werden gepasseerd. De onderhandelingen werden vaak vooral gevoed door de kracht van de betrekkingen tussen de onderhandelaars. Na meer dan twee jaar geweld is dat reservoir van goodwill grotendeels uitgeput. De Palestijnen en Israëliërs zullen een eventueel nieuw proces uitsluitend beoordelen op de mate waarin de tegenpartij haar verplichtingen nakomt. Wil het stappenplan slagen, dan moet het juist daartoe de gelegenheid bieden. Een nuchtere taxatie van de wederzijdse vorderingen door objectieve derden zal veel meer bijdragen tot het onderling vertrouwen dan een losjes geformuleerde toekomstvisie of een vriendschappelijk schouderklopje.

Omar Dajani was adviseur van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO tijdens de vredebesprekingen van 1999-2000. © LAT/WP-Newsservice