Utrechts bestuurder

De naam van oud-commissaris van de koningin Pieter van Dijke (CDA), die vrijdag op 82-jarige leeftijd is overleden, is onlosmakelijk verbonden met Utrecht. Van Dijkes band met de stad begon op het gymnasium, waar hij in 1940 slaagde voor zijn eindexamen, en leidde uiteindelijk tot een benoeming tot commissaris van de koningin, wat hij tot zijn 65ste bleef. Daarna werd hij NOS-voorzitter, in welke functie hij zich verzette tegen bezuinigingsplannen van toenmalig minister Brinkman (WVC).

Van Dijkes carrière begon in het verzet. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was hij negentien jaar oud, twee jaar later werd hij lid van de verzetsgroep van Trouw. Na de oorlog volgde hij een opleiding in Engeland als voorbereiding op zijn werk als oorlogsvrijwilliger in Indonesië. Hier was hij tot 1949 actief.

Al snel na zijn terugkeer kwam Van Dijke in de ambtelijke wereld van de gemeente Utrecht terecht. Na zijn tijd in Indonesië werkte hij tot zijn pensioen slechts twaalf jaar buiten Utrecht, één jaar als secretaris bij de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel (1954-1955), van 1969 tot 1973 als burgemeester van Gouda en de acht jaar hierna als secretaris-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De oorlog is altijd in het gezichtsveld van Van Dijke gebleven. Zo leidde hij een onderzoek naar wetten voor oorlogsslachtoffers, waarbij ,,de stemming soms zeer geëmotioneerd'' was. Deze naar hem genoemde commissie-Van Dijke deed in 1987 voorstellen ter vereenvoudiging van de schadevergoedingsregelingen voor oorlogsslachtoffers.

Inmiddels was Van Dijke in tal van commissies, zowel wetenschappelijk, bestuurlijk als in het bedrijfsleven, actief geweest. Hij was onder meer vice-voorzitter van het Utrechts Universiteitsfonds, voorzitter van het College Algemene bijstandswet en voorzitter van de Raad van Commissarissen van Chipshol Holding.

In 1980 kwam Utrecht weer in beeld: Van Dijke werd benoemd tot commissaris van de koningin. Na vijf jaar moest hij plaatsmaken, omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Hierna bleef hij nog enkele jaren publiek actief als voorzitter van de NOS.