Opsporing ronselaars verliep `op z'n kop'

De opsporing van twaalf vermeende moslimsterroristen verliep `op z'n kop'. Eerst werden ze gearresteerd, op basis van AIVD-informatie. Daarna begon justitie een eigen onderzoek. Zal de rechter dat tolereren?

Irak, Libië, Marokko, Mauretanië, Algerije – uit deze Arabische landen kwamen de twaalf vermeende moslimterroristen die vanmorgen op de eerste zittingsdag van hun proces in Rotterdam in het beklaagdenbankje zaten. Sommige verdachten gingen gehuld in traditionele islamitische kledij. Mauretaniër Yahja El M. witte omslagdoek en zwart gehaakt mutsje plukte af en toe peinzend aan zijn vlasbaardje.

Vandaag begon in Rotterdam het proces tegen twaalf vermeende moslimextremisten, een proces dat in meerdere opzichten een bijzonder karakter draagt. Nog niet eerder stonden in Nederland personen terecht die verdacht worden van het rekruteren van moslimjongeren voor de jihad. Justitie heeft daarvoor een sinds de nasleep van de Tweede Wereldoorlog verstoft artikel van de plank gehaald dat ,,hulp aan de vijand in tijden van oorlog'' strafbaar stelt. Bovendien leunt justitie zwaar op informatie die is aangeleverd door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD).

Van dat laatste is het openbaar ministerie zich terdege bewust. ,,Het gaat hier om opsporing op zijn kop'', aldus een bron binnen justitie – het meeste justitiële onderzoek vond plaats na de arrestaties in plaats van andersom. De verdachte moslims werden al geruime tijd in de gaten gehouden door de AIVD. Tips van de geheime dienst leidden tot de meeste arrestaties. Zo werd de telefoon van hoofdverdachte Rodoin D., die in Frankrijk nog op zijn uitlevering wacht, al zeker sinds juni 2001 door de AIVD afgeluisterd voordat de politie hem in april 2002 aanhield. Voor de groep die in augustus vorig jaar werd aangehouden, gold hetzelfde. Pas na de arrestaties kon justitie dus met haar onderzoek beginnen, om te bewijzen dat de verdachten zich ook daadwerkelijk schuldig hebben gemaakt aan de feiten die de AIVD meent te hebben geconstateerd.

Dat een rechtbank een dergelijke procedure niet onmiddellijk fiatteert, bleek afgelopen december bij de vrijspraak van vier vermeende moslimextremisten die betrokken zouden zijn bij de voorbereiding van een terroristische aanslag en die vlak na 11 september 2001 werden aangehouden. Daarbij oordeelde de Rotterdamse rechtbank dat justitie de tips van de AIVD te klakkeloos had overgenomen, door de vier zonder eigen onderzoek als verdachten te brandmerken.

Justitie hoopt dat dit juridische obstakel inmiddels uit de wereld is. Want die uitspraak is in de ogen van justitie ,,ingehaald'' door een uitspraak van een hoger college. Het gerechtshof in Den Haag vond in januari in een procedure tegen de voorlopige hechtenis van enkele van de moslimextremisten die vandaag terechtstaan, dat informatie van de AIVD voldoende grond kon zijn om personen te arresteren en huiszoekingen te doen. Volgens het hof moet per geval worden bekeken of de tip van de AIVD voldoende concrete `feiten of omstandigheden' oplevert om iemand te verdenken en vast te houden.

Dat wil overigens nog niet zeggen dat die informatie van de geheime dienst ook door justitie in het strafproces gebruikt kan worden om de bewijsvoering rond te krijgen. Het strafdossier waar deze krant inzage heeft gehad, staat vol verdenkingen van de AIVD die de toon zetten en door justitie worden overgenomen.

Zo zou de verdachte Mauretaniër Yahja El M. volgens een geheim ambtsbericht van de AIVD, dat justitie op het spoor zette, ,,leidinggeven'' aan een ,,rekruteringsnetwerk'' en betrokken zijn bij Al-Qaeda. In juli 2002 zou een groep ,,jihadisten'' onder zijn leiding op het punt van vertrek hebben gestaan naar ,,de boerderij'', codetaal voor de jihad. Uit het strafdossier blijken weinig directe bewijzen die justitie zelf heeft vergaard en die de veronderstellingen kunnen staven. Wel werd in dezelfde woning waar de Mauretaniër verbleef, de Egyptenaar Rida A. aangehouden, die op een bandje een `testament' heeft ingesproken waarbij hij afscheid neemt van zijn ouders en zegt te hopen dat God zijn ,,martelaarschap'' aanvaardt.''

Het grote probleem is dat de informatie van de AIVD nauwelijks te controleren valt, zoals de verdediging beklemtoont. Het is de AIVD verboden iets van zijn werkwijze prijs te geven, omdat de dienst tot taak heeft de veiligheid van de staat te waarborgen. De rechter, zo zegt hoogleraar strafrecht Y. Buruma, zal daar een zekere ,,coulance'' voor moeten hebben. Een recente uitspraak van het Haagse gerechtshof, ter voorbereiding van het hoger beroep tegen de vier vermeende moslimterroristen die in december werden vrijgesproken, bevestigde dit `vertrouwensbeginsel' nog eens: ,,Justitiële autoriteiten mogen uitgaan van in ieder geval de rechtmatige verkrijging van de door de (...) AIVD verstrekte informatie.'' Aan de andere kant, zegt Buruma, kan de rechter ,,moeilijk iemand veroordelen omdat de AIVD zegt dat hij zo gevaarlijk is''. AIVD-personeel, zoals plaatsvervangend directeur Bot, die op de getuigenlijst staat, zal daarom duidelijk moeten maken dat de geleverde informatie geloofwaardig is.

De betrouwbaarste inlichtingen zijn de telefoontaps van de AIVD in het dossier. Justitie had graag meer willen krijgen om de zaak `rond' te krijgen, zoals een bron binnen justitie toegeeft. Van hoofdverdachte Rodoin D. zijn belastende telefoongesprekken opgenomen waarin hij spreekt over het sturen van `broeders' naar onbekende bestemmingen maar van vele andere verdachten niet. In de ambtsberichten wordt wel gewag gemaakt van afgeluisterde gesprekken, maar onduidelijk is of dat gaat om gesprekken die zijn opgevangen door informanten of om telefoontaps. De AIVD beweert volgens bronnen binnen justitie over niet meer telefoontaps te beschikken, maar binnen justitie zou dat worden betwijfeld. Als dat waar is, heeft justitie het onderzoek niet alleen `op zijn kop', maar ook met één hand op de rug moeten uitvoeren.

Inlichtingendiensten, zegt Buruma, hebben een ander belang dan opsporingsdiensten als het OM. ,,De AIVD is er om aanslagen te voorkomen. Het zegt: pas op, er ligt een bom onder brug. Maar hoe ze dat wéten, zeggen ze niet. Het OM moet zaken klaarmaken voor het strafproces. Het OM vraagt: hoe weet u zo zeker dat meneer Y daarbij betrokken was? Dat botst wel eens.''