Het gezicht van Duitsland

Lothar Matthäus, is dat niet die voetballer die alle Nederlandse voetballiefhebbers vereenzelvigen met alles wat Duitsers zo aanstootgevend maakt? Inderdaad, dat is die voetballer die met het Duitse elftal in 1980 Europees kampioen en in 1990 wereldkampioen werd, die in 1990 Europees voetballer en wereldvoetballer van het jaar werd. Matthäus is die voetballer die 145 interlands voor Duitsland speelde, overal in de wereld respect heeft afgedwongen maar in Nederland slechts geassocieerd wordt met de Schwalbe, ook wel de fopduik genoemd, alsof hij de uitvinder ervan is.

Der Lothar is afgelopen week met Partizan Belgrado kampioen van Joegoslavië (Servië) geworden, als trainer. Vandaar deze herinnering aan de Duitse voetballer die bijna twintig lang het gezicht is geweest van het Duitse voetbal. Een gedreven, spelbepalende middenvelder, later verdediger en aanvoerder van Borussia Mönchengladbach, Inter Milaan, Bayern München en het Duitse elftal die mij in de drie à vier vraaggesprekken meer over het leven van een voetballer heeft kunnen verklaren dan menig Nederlandse voetballer.

Matthäus kwam ruiterlijk uit voor zijn vergissingen, kon zijn ontsporingen in en buiten het voetbalveld plaatsen, besefte wat hij teweegbracht in de samenleving, liet blijken dat hij geïnteresseerd was in de ontwikkeling van mensen die succes hebben en vervolgens worden verguisd en vond zichzelf vaak een ongelooflijke Feigling of Arschloch. `Voetbal maakt mensen, als je ten onder gaat, ben je niet hard en slim genoeg geweest. Als je wint, ben je over lijken gegaan', zei hij onlangs in een van die diepgaande, nachtelijke talkshows op de Duitse televisie, die geen Nederlander wenst te zien.

Met het grootste gemak waarmee verblinde Ajax-volgers en -columnisten Yakubu en Pienaar al na één of twee geslaagde wedstrijden tot (toekomstige) wereldsterren bombarderen, is Matthäus door heel Nederland tot 's werelds walgelijkste matennaaier benoemd. In deze dagen waarin zowel spelers van Feyenoord als van Ajax (en hun trainers) niet schromen elkaar te beschuldigen van vals spel, komt het bericht dat `Schwalbekönig' Matthäus met Partizan Belgrado kampioen is geworden. Niet dat hij zo'n grote prestatie heeft geleverd, want Partizan stond al bovenaan toen de Duitser in januari daar trainer werd, maar het geeft wel aan dat `mijn' Duitser respect geniet.

Matthäus is zo'n voetbalman die men in Nederland nauwelijks meer tegenkomt. Hij was niet saai, grijs en meegaand. Hij ging geen confrontatie met medespelers, trainers, bestuurders en media uit de weg. Hij was recalcitrant, maar ging voorop in de strijd. Zijn ouders (zijn vader was een arbeider in het Beierse Herzogenaurach) leerden hem te vechten in het leven. Toen hij beroemd en succesvol was, raakte Lothar wel eens het spoor bijster. Relaties met trainers, medespelers, bestuurders en journalisten liepen stuk. Wat een mens niet moet verdragen.

Wat mij fascineerde aan Matthäus is dat hij ontspoorde, dat hij anders was dan menig Prinzipienreiter van hem verwachtte. Hoe hij zich gedroeg temidden van al die mensen die iets van hem wilden en die hij iets beloofde. Hij heeft velen teleurgesteld: vrouwen, kinderen en supporters. Maar hij is ook velen tegemoetgekomen. Hij is een held tegen wil en dank. In Duitsland weet men wat dat betekent, wie Matthäus is. In Nederland niet, daar doet men Der Lothar af als een voetbalvandaal. In Nederland, land van naïvelingen, weten ze niet beter – hoe vol het ook is van voetbalvandalen, op en buiten het veld.