Een blauw oog voor een gerespecteerde krant

De Amerikaanse krant The New York Times spreekt van een dieptepunt in haar geschiedenis: een ambitieuze verslaggever heeft op grote schaal journalistieke fraude gepleegd.

Een verslaggever van The New York Times heeft ,,frequent journalistieke fraude'' gepleegd bij het verslaan van belangrijke Amerikaanse nieuwsontwikkelingen. Sinds oktober heeft hij minstens 36 keer gefantaseerd in 73 verhalen.

In een ongekend uitvoerige behandeling van het probleem in de editie van gisteren erkent de krant dat Jayson Blair (27) zijn lezers, collega's en (vaak nooit geraadpleegde) bronnen heeft misleid. Een voorlopige inventarisatie van de aangerichte schade aan de geloofwaardigheid van Amerika's meest gerespecteerde dagblad leert dat de verslaggever een veelheid van methodes toepaste om zijn reportages uit het hele land samen te stellen, meestal zonder New York te verlaten.

The Times wijdt in totaal 14.000 woorden aan wat wordt omschreven als ,,een dieptepunt in de 152-jarige geschiedenis van de krant''. Arthur Ochs Sulzberger, directeur van het gelijknamige bedrijf, waar zijn familie al 107 jaar een meerderheidsbelang in heeft, spreekt van ,,een gigantisch blauw oog'', maar ziet geen aanleiding de schuld bij hoofdredactie of chefs op de redactie te leggen: ,,De man die dit heeft gedaan is Jayson Blair''.

De directeur van de Times erkent overigens dat het gebeurde ,,een schending is van het vertrouwen tussen de krant en zijn lezers.'' Hoofdredacteur Howell Raines was wel op de hoogte van talloze fouten van de verslaggever, die aanleiding gaven tot correcties, zo blijkt uit het uitvoerige stuk dat probeert te ontwarren hoe Blair werkte en hoe de krant het kon laten gebeuren.

De leiding van de krant had geen flauw benul te maken te hebben met ,,een pathologisch patroon van verkeerd weergeven, fantaseren en bedriegen''. De krant liet gisteren ook redacteuren aan het woord komen, met name de chef van de stadsredactie waar Blair een tijd werkte, die na herhaalde aanvaringen wegens grote fouten, een tweeregelige email stuurde naar zijn superieuren: ,,We moeten voorkomen dat Jayson nog langer voor The Times schrijft. En wel nu.''

De `national editor', een zware figuur op een landelijke Amerikaanse krant als The New York Times, geeft toe dat hij die en andere waarschuwingen ,,naar de achterkant van zijn hoofd'' heeft laten zakken. Het plan Blair te promoveren tot de nationale topverslaggevers werd uitgesteld, maar vervolgens in feite uitgevoerd toen de redactie uitgedund was door de grote aantallen verslaggevers die naar Irak waren gezonden.

In die periode schreef Blair aangrijpende verslagen over het lot van de familie van de spectaculair geredde soldaat Jessica Lynch. In Palestine, West Virginia, beschreef hij het bescheiden huis op de heuvel (het staat in een vallei), dat uitkijkt over tabaksplantages en koeienweides (terwijl het in het bos staat en daar op uitkijkt). Geen van de familieleden blijkt ooit met Blair te hebben gesproken.

De Irak-oorlog leidde ook tot het stuk dat tot Blairs ontmaskering en ontslag zou leiden. De verslaggever, die een naam opbouwde met het doordringen tot bronnen en de mensen in het oog van de nieuwsstorm, bracht een ontroerend verslag met citaten en observaties uit het huis in Texas van een vermiste soldaat. Een verslaggeefster van de San Antonio News-Express herkende ieder detail als dat uit haar eigen verslag een paar dagen eerder. Pas toen haar hoofdredacteur collega Raines in New York op de hoogte stelde van de onweerlegbare feiten, gingen alle alarmbellen op The Times rinkelen.

Ook toen hield de verslaggever vol dat ieder woord klopte en het resultaat van eigen werk was. Intussen is gebleken dat hij in de maanden waarin hij over grote zaken berichtte, zoals de sluipschutters die vorig najaar Washington en omgeving teisterden, geen enkele huurauto of hotelovernachting declareerde. Het waren vooral rekeningen van zijn mobiele telefoon en restaurants in Brooklyn en New York die hij overlegde. Blair heeft na zijn ontslag eind april alleen gezegd dat hij ,,persoonlijke problemen'' heeft en er professionele hulp voor heeft ingeroepen.

Hoofdredacteur Raines heeft verder intern onderzoek aangekondigd om uit te zoeken hoe het komt dat de krant het patroon zo laat heeft ontdekt Blair werkte vier jaar voor de Times. Managing editor Gerald Boyd, de tweede man op de redactie, ontkent in het stuk van gisteren dat Blairs snelle promotie en de tolerantie voor zijn tekortkomingen gebaseerd zijn op ras. Zowel Blair als Boyd zijn Afrikaanse Amerikanen.

De directeur en hoofdredacteur bevestigen in de verantwoording dat zij vasthouden, ,,en met recht'', aan het beleid van de krant dat kansen voor alle rassen bevordert. De `syndicated' columnist John Leo schrijft echter: ,,Het Blair schandaal is niet alleen een geval van een ontspoorde verslaggever. Het is een herinnering aan het feit dat het beleid gericht op meer gelijke kansen voor minderheden de standaarden ondermijnt die bijzondere instellingen bijzonder maakten.''

De conservatieve columnist brengt daarmee een gedachte onder woorden die ook een rol speelt in een belangrijke zaak die nu speelt voor het Supreme Court: de vraag of `affirmative action' in de toelatingscriteria van de Universiteit van Michigan een rol mag spelen of neerkomt op feitelijke discriminatie van blanken.

Het toeval wil dat Amerika ook van een andere kant reden krijgt te twijfelen aan de eerlijkheid van de pers. Gisteravond bekende een voormalig redacteur van het weekblad The New Republic op CBS-televisie compleet bedrog. Stephen Glass werd er in 1998 voor ontslagen nadat was gebleken dat hij halve verhalen uit zijn duim had gezogen.

Ex-collega's zijn niet onder de indruk van deze `handige' vlaag van berouw nu hij een boek publiceert, The Fabulist. Leon Wieseltier, de gezaghebbende boekenredacteur van The New Republic, schamperde in Newsweek: ,,Zelfs bij het verantwoording afleggen van zijn wandaden is hij niet in staat tot non fictie.''