Advies: investeren in bètaonderwijs

Nederland moet fors in het onderwijs investeren om binnen Europa een concurrerende kenniseconomie te worden. Ook moet de Nederlandse overheid meer jongeren lokken voor exacte studies. Het onderwijs moet meer samenwerken met het bedrijfsleven, bijvoorbeeld om onderzoeksbanen te creëren.

Dat schrijft de Onderwijsraad, het hoogste adviesorgaan van demissionair minister Van der Hoeven (CDA, Onderwijs) in het advies `Europese richtpunten voor het Nederlandse onderwijs', dat vandaag aan de minister is aangeboden.

Volgens de Onderwijsraad is Nederland op dit moment ,,ver verwijderd'' van de ambitie om tot de beste kenniseconomieën van Europa te behoren. Zo daalt het aantal afgestudeerden in exacte studierichtingen al sinds 1993, terwijl in veel andere Europese landen een stijging te zien is. ,,Nederland behoort op dit punt tot de slechtst presterende Europese landen'', schrijft de raad. Vorige week spraken de Europese ministers van Onderwijs in Brussel af dat zij in 2010 15 procent extra bètastudenten moeten hebben geworven.

Het lerarentekort, dat dit jaar in alle sectoren van het onderwijs tot recordhoogte is gestegen, dreigt bovendien ,,een ondermijnende factor te zijn''. ,,Zonder voldoende docenten blijven alle doelstellingen buiten bereik.'' De komende jaren verwacht de Inspectie van het Onderwijs een tekort van ruim 53.000 docenten in het basis-, voortgezet en beroepsonderwijs.

Om het tij te keren zijn daarom forse investeringen nodig, al noemt de raad geen bedrag. Maar extra geld heeft volgens de Onderwijsraad alleen zin als de exacte studies aantrekkelijker worden voor scholieren en de voortijdige schooluitval van scholieren en studenten wordt bestreden. De ministeries van Onderwijs, Economische Zaken en Sociale Zaken moeten daarom veel nauwer met elkaar samenwerken dan zij nu doen.

Bovendien moet het bedrijfsleven betrokken worden bij het bèta-onderwijs. Van der Hoeven en staatssecretaris Nijs spraken zich hier onlangs ook al voor uit. Verder wil de raad een maatschappelijk debat over de vraag hoe de aantrekkingskracht van alfa- en gammastudies verminderd kan worden.