`17de november' werkt aan imago

Het proces tegen de verdachten van de Griekse terreurgroep 17de november nadert zijn ontknoping.

Bijna alle 23 moorden hebben intussen de revue gepasseerd. Het proces tegen de negentien verdachten van de terroristische organisatie 17de November, dat nu al ruim twee maanden duurt, nadert de ontknoping. Ook de andere aanslagen en roofovervallen van de laatste twintig jaar zijn besproken.

De rechters zijn toegekomen aan de laatste moord, die op de Britse militaire attaché Stephen Saunders in juni 2000. Het was deze terreurdaad die leidde tot verheviging van het onderzoek naar de daders, waarin ook Scotland Yard op grote schaal werd betrokken. Twee jaar later kon de groep, mede dankzij de mislukking van een nieuwe aanslag, worden opgerold.

De belangstelling voor het proces was wekenlang tanende, ten gevolge van de oorlog in Irak maar ook doordat het niet live op televisie werd uitgezonden, zoals wél gebeurde in 1975 met het proces tegen de `kolonelsjunta' die de staatsgreep van 1967 had gepleegd. Men vreesde dat beklaagden de televisie zouden misbruiken voor politieke redevoeringen. Inderdaad laten de meeste aangeklaagden zich nu smalend uit over de `beperkingen' die hen zijn opgelegd en ook in de publieke opinie ontbreekt het niet aan geluiden dat men rondom de berechting `iets te verbergen had'.

De verdachten zijn inderdaad veelvuldig aan het woord. Ook konden de 30 advocaten de 350 getuigen à charge het vuur na aan de schenen leggen. De meeste getuigen die daders voor 75 tot 100 procent meenden te herkennen, kregen het moeilijk omdat de aanslagen alweer zo lang geleden zijn gebeurd. De beklaagden zelf hebben hun aanvankelijke bekentenissen deels ingetrokken. Ze zouden middelen hebben toegediend gekregen die hen tot de uitspraken hadden verleid. ook zou zijn gedreigd met uitlevering aan Amerika.

Hoe ver de verdachten en hun advocaten konden gaan, bleek bij de behandeling van de zaak-Saunders. In de proclamatie die de groep na de moord had uitgegeven stond ondermeer dat het slachtoffer als brigadegeneraal bij de luchtmacht had meegedaan aan bombardementen op Servië. Zijn weduwe kwam, niet voor de eerste keer, getuigen dat haar man bij de landmacht had gewerkt en niets te maken had gehad met de Balkan. Maar nu moest zij vragen van de advocate beantwoorden als hoe ze over de oorlog in Irak dacht (ze was tegen) en waarom ze zich bij de rouwdiensten voor haar echtgenoot voor het politieke karretje had laten spannen.

Bij de verschijning van een andere getuige, de moeder van een Armeense jongeman die was omgekomen bij de mislukte aanslag op een oud-minister van Financiën in 1992, had de beklaagde op hoge toon wél zijn leedwezen betuigd. Deze Dimitri Koufodínas is een van de hoofdverdachten. Terwijl de `professor' die van het feitelijk leiderschap wordt beschuldigd, Aléxandros Jiótopoulos, elke betrokkenheid tegen de klippen op blijft ontkennen, heeft Koufodínas ,,de volle politieke verantwoordelijkheid'' voor het optreden van de hele groep op zich genomen. Hij treedt op als een soort woordvoerder voor de hele groep.

Niet dat hij veel vertelt over de aanslagen. En al helemaal niet over de vele roofovervallen, die anderhalf miljard drachmen (ruim vijf miljoen euro) moeten hebben opgebracht, waarvoor hij volgens andere groepsleden als `kassier' zou hebben opgetreden. Want overvallen en geldzaken passen niet bij de romantische reputatie die de 17de November nog altijd voor een kleine minderheid in Griekenland heeft.