14 mei 1940

Overmorgen om één uur is het precies 63 jaar geleden dat bij Co van Schaik thuis de tafel gedekt stond voor een feestelijk middagmaal ter gelegenheid van de verjaardag van zijn vader, toen het luchtalarm afging en het gezin met negen kinderen het huis in Crooswijk uitvluchtte naar de schuilkelder in een plantsoen. De Duitsers waren begonnen met hun bombardement op Rotterdam. In een kwartier werd het centrum van de stad in brand gezet. Ten minste achthonderd mensen kwamen die dag om. Bijna tachtigduizend Rotterdammers raakten dakloos. Nederland capituleerde.

Co van Schaik was destijds zes jaar oud. De gepensioneerde PTT Telecom'er kan het allemaal nog luchtig navertellen. Hij heeft er geen trauma aan overgehouden. Crooswijk bleef gespaard en niemand van de familie verdween. Van Schaik wil uit piëteit met slachtoffers en nabestaanden niet al te vrolijk overkomen, maar toen het gezin na het bombardement naar huis kon terugkeren, begon voor hem de avontuurlijkste tijd van zijn leven. Niets is ooit zo spannend geweest als het spelen in het puin.

De jochies liepen vrij rond in de desolate stad. Ze trokken in de Laurenskerk kasten open waar botten en schedels uit vielen. Die waren uit de graven losgekomen en door puinruimers tijdelijk opgeborgen. Ook interessant was het meelopen met de Duitse soldaten, die goed konden zingen en marcheren. Ze hebben verstoppertje gespeeld in het koren dat was gezaaid op de kale vlaktes in de binnenstad. Er zijn ook levendige herinneringen aan hoe ze als jongens afliepen op Duitse soldaten die in een huifkar achter een mobiele keuken stonden en dan zeiden: Wir haben Hunger, gib uns zu fressen.

Van Schaik werkt als stadsgids en hij zou het waarderen als er een apart bombardementsmuseum zou komen in Rotterdam. Daarover wordt gepraat. Het debat kreeg enkele maanden geleden een impuls toen stadspoliticus Manuel Kneepkens met het voorstel kwam om de brandgrens van destijds te markeren met stenen, een idee dat hij begin dit jaar kreeg tijdens een werkbezoek aan Berlijn.

Rotterdam heeft wel een Oorlogsverzetsmuseum, maar dat ligt buiten het centrum op Katendrecht. Het is gevestigd in een pand dat ongeschikt is voor het bewaren voor oude voorwerpen. Museumvoorzitter Hans Binneveld, hoogleraar geschiedenis aan de Erasmus Universiteit, zou graag verhuizen en ook meer samenwerken met het Historisch Museum.

Er moet meer aandacht komen voor het bombardement, vinden mensen die de oorlog hebben meegemaakt. Er zijn te veel jonge Rotterdammers die er weinig of niets van weten, en ook de meeste allochtonen weten niet dat het stadscentrum ooit een achttiende-eeuws aanzien had. Een apart museum kan bovendien de aandacht vestigen op het zogenoemde `vergeten bombardement' uit 1943, zeggen ze, toen bij een geallieerde actie in Rotterdam-West 350 mensen om het leven kwamen.