Terug naar de bron

Mijn opa had maar een kleine bibliotheek, ondanks het feit dat hij schoolmeester was met een stuk of tien aktes. Dat kwam door oma, die tijdens de hongerwinter 1944-45 bijna al zijn boeken had verstookt. Nederlands, Frans, Duits, Engels, wis- en andere kundes, muziek, schriften en lesplannen, allemaal in rook opgegaan voor de suikerbieten. En haar meubels in het noodkacheltje doen, dàt ging deze Zeeuwse te ver.

Maar de verzamelde werken van Shakespeare waren de dans ontsprongen. In mijn fantasie leverde opa een heldenstrijd met zijn eega: `Nee Til, Shakespeare niet. Eerst de bijbel maar.' Ik denk dat hij dat boek achter zijn hengels in het schuurtje had verstopt, om veilig te kunnen lezen zodra die rotmoffen weg waren. Toen ik het een keertje had geleend, bracht ik het dus zo snel mogelijk terug. Opa legde zijn pijp neer, keek me even aan, en zei: `Ken je 't dan al uit je hoofd, jongen?' `Nee, opa.' `Waarom breng je het dan nu al terug?' Het boek staat dus nog steeds in mijn kast.

Aan die band, zorgvuldig met de hand opengesneden, moest ik denken toen ik dit jaar eindelijk Galileï's werken begon te lezen, omdat ik tijdelijk zijn buurman ben: villa Il Gioiello is vanuit mijn keukenraam te zien. Ik had wel vertaalde citaten gelezen, maar het oorspronkelijke werk nooit nodig gehad tijdens mijn studie natuur- en sterrenkunde. Nu pas viel het mij op hoe anders dat is in de alfa-studies: het is ondenkbaar dat een student Engels het zonder (onvertaalde!) Shakespeare zou stellen.

Teruggaan naar de bron is zeer verhelderend. Ten eerste natuurlijk om je weer eens flink klein te voelen. Je zou denken dat een kosmoloog als ik aan dat gevoel gewend is, omdat het Heelal miljard maal miljard maal groter is dan ikzelf. Maar het verschil tussen Galileï en mij is kwalitatief, dus is het niet eens in een getal uit te drukken, hoe groot ook. Ten tweede om materiaal op te doen voor colleges en lezingen. Ten derde, en dat is het leukste, om zo'n maestro aan het werk te zien. Op de grote Monet-tentoonstelling in het Musée de l'Orangerie draaide een snippertje film van de schilder, werkend naast zijn geliefde vijver in Giverny. Steeds kijken, verf mengen, weer kijken op het doek, naar de vijver. In twee minuten film kijkt Monet minstens honderd seconden naar zijn onderwerp, als een kat naar een muis. Zo komt Galileï over in zijn werken. Tussendoor preekt hij bescheidenheid, en waarschuwt dat je door vlijt geen groot wetenschapper wordt: `...velen kennen alle bekende dichtwerken uit het hoofd, maar kunnen nog geen vier versregels schrijven; anderen beheersen alle werkwijzen van Da Vinci, maar zouden nog geen voetenbankje kunnen schilderen.' (Wie mijn vertalingen wil nagaan, mag zelf de bibliotheek in, want een `notenapparaat' bij een column is patserig).

Galileï's vermaningen over het beperkte voorstellingsvermogen van de mens zijn messcherp, en talrijk: `...evenals ik er zeker van ben dat iemand die geboren en getogen is in een onafzienbaar woud ... en die geen enkele weet heeft van het element water, nooit op het idee zou komen dat er in de natuur een andere wereld is die verschilt van zijn Aarde, vol dieren die zich zonder benen of vleugels razendsnel voortbewegen, en niet alleen op een oppervlak, zoals de wilde dieren op de aardbodem, maar ook in de diepte, en konden stilstaan waar het hun belieft, wat de vogels in de lucht niet kunnen ...; evenzo, zeg ik, ben ik er zeker van dat zo iemand, ook al was hij nog zo scherpzinnig en vindingrijk, zich nooit een voorstelling zou hebben kunnen maken van de vissen, de oceaan, schepen en vloten... '

Het lezen van zo'n origineel geeft een Olympisch beeld van het ontstaan van de natuurkunde, alsof je vanaf je goddelijke berg een tobber door een doolhof ziet scharrelen. Het is zeer spannend om te zien hoe dicht Galileï kwam bij de verklaring van planeetbanen door een combinatie van voortbewegen en vallen. Je zou hem willen aanmoedigen, als een toeschouwer bij Ezeltje Prik. Bladzijden lang gaat hij door over de beweging van zware voorwerpen (omlaag) en lichte (omhoog), maar laat tot mijn verbijstering de Wet van Archimedes links liggen, en komt nèt niet op het idee dat beweging op constante afstand (de cirkel) overeenkomt met de afwezigheid van een netto kracht, wat in Einsteins Algemene Relativiteitstheorie `vrije val' is, en wat door onwetenden `gewichtloosheid' wordt genoemd.

Het is ontnuchterend om te lezen hoe zelfs zo'n genie vastgebakken blijft aan de missers van zijn voorgangers. Tientallen bladzijden worden gewijd aan bewegingen in termen van de `eigen plaats' van een voorwerp, alsof elke steen smacht naar het middelpunt van de Aarde. In tegenstelling tot wat je in de boekjes leest was het niet Galileï maar Huygens die de spijker op de kop sloeg, toen hij kortweg stelde: `Iedere beweging is relatief'. Het idee dat er niet zoiets bestaat als een `vaste', `absolute' of `eigen' plaats, heb ik wel gelezen in het werk van de schuchtere Christiaan, niet in dat van de dominante Galileo.

Hij blijft hameren op de cirkelbeweging als zijnde `natuurlijk', `ideaal'. Ook hier is het lezen van het origineel zeer leerzaam, want in tegenstelling tot de nogal schampere behandeling die cykels en epicykels krijgen in oppervlakkige boekjes, is het gebruik van cirkels beslist niet dom. Galileï gebruikt een symmetrie-argument, dus eigenlijk heel modern: bij een cirkelbeweging verandert er niets, want elk verschoven deel van de cirkel wordt precies vervangen door een ander stuk. Bij lineaire beweging is dat ook zo, maar Galileï zegt: het Heelal is niet oneindig dus rechtlijnige beweging kan niet de `ideale' of `natuurlijke' beweging zijn, want een rechte lijn is oneindig lang. Pas Newton kwam op het idee dat je een kromme lijn kunt maken uit een oneindige rij oneindig kleine rechte stukjes.

Prachtig is zijn rotsvaste vertrouwen in de wiskunde als de weg naar de waarheid: `...zoals iets in werkelijkheid gebeurt, zo gebeurt het ook in het abstracte...' In onze tijd zijn de beschrijvingen meestal algebraïsch, waar Galileï meetkunde gebruikte, zoals je je kunt voorstellen dat Archimedes deed wanneer hij in het zand tekende.

Tenslotte vind ik zijn werk ook spannend omdat literatuur en wetenschap er samenkomen: Galileï's precisie stond zijn passie niet in de weg. Bijvoorbeeld in de discussie over de `corruptie' van al het aardse, door de scholastici gesmaad in tegenstelling tot de `perfectie' van de hemelen, zegt hij bij monde van Sagredo: `Ik voor mij vind de Aarde zeer edel en bewonderenswaardig, juist vanwege de talrijke en zo verschillende veranderingen, die voortdurend in haar plaatsvinden ... er is geen enkele prins die niet gaarne een berg diamanten, robijnen en goud zou ruilen voor een hoopje aarde in een klein potje dat juist genoeg was om er een jasmijn- of een sinaasappelzaadje in te planten, die te zien ontspruiten, groeien en zulke prachtige twijgen, geurige bloemen en nobel fruit te zien dragen.' Volgens mij heeft Shakespeare nooit zo over de wetenschap geschreven; maar ja, ik ken zijn werk niet uit mijn hoofd. Het spijt mij, opa, maar Il saggiatore gaat nog even voor.