Schemerschijnsel

Wéér de Belgische bergen en wéér met Koninginnedag. Dus weer in de laatste dagen van april en de eerste van mei.`t Was nieuwe maan, deze keer, dus de gangbare verlenging van de avondschemering of vervroeging van de ochtendschemering ontbrak. Het zonlicht verdween en verscheen zonder storing van maanlicht of lampen.

Een uitgelezen kans om door te gaan met het onderzoek aan schemerverschijnselen waaraan al zo'n dertig jaar wordt gewerkt en waarover hier geregeld is gerapporteerd. De handicap was deze keer dat het horloge in onbekend tempo voorliep: dertien minuten in vijf dagen, maar zonder dat is komen vast te staan of het elke dag 2,6 minuut was of alleen op de laatste dag 13.

Vast onderdeel van het schemeronderzoek is het luisteren naar het wegsterven van de laatste vogelzang (vorig jaar beschreven). Rond Koninginnedag is dat zo omstreeks tien over half tien. Het zijn altijd drie vogels die wedijveren in het laatste zingen: de merel, de zanglijster en de roodborst. Dit jaar won steeds de zanglijster. In andere jaren was het soms de merel of de roodborst, maar nooit een andere vogel. Andere bosvogels houden het al een uur eerder voor gezien.

Dit jaar dus de zanglijster. Op 28 april sloot hij de zang om 21.38 uur, de volgende dag (op een andere plaats) om 21.40 uur, toen 21.48 uur en ten slotte 21.52. Dat is mooi binnen dezefde orde van grootte, denkt de buitenstaander, maar dat is niet zo. De spreiding is veel te groot. De vogelzang volgt heel precies de gang van de zon en eindigt gemiddeld elke dag 2 à 3 minuten later, met hoogstens een paar minuten speling. Het is een fenomeen.

Door een toeval kon dit jaar ook tweemaal worden vastgesteld hoe laat de vogels weer begonnen met zingen. Op 30 april was dat om 5.30 uur en op 1 mei om 5.36 uur. Het verschil met de avondzang is dat 's ochtends àlle vogels tegelijk in zingen uitbarsten, niet alleen de Volhardende Drie, maar ook de vink, de fitis, de tjiftjaf, de geelgors, de houtduif, de koolmees, de zwarte mees, de heggemus, de winterkoning, de boomkruiper, de fluiter, de tuinfluiter en de zwartkoptuinfluiter. Het is om gek van te worden, en daarom is het goed dat het altijd na een uurtje weer ophoudt.

Het aardige is dat het tijdstip half zes evenveel uren ná de lokale middernacht valt als half tien er voor. Door het gebruik van Berlijnse tijd, aangevuld met een uur horeca-tijd, staat de zon hier 's zomers om half twee 's middags in het zuiden en om half twee 's nachts in het noorden. Einde en begin van de vogelzang vallen dus volmaakt symmetrisch ten opzichte van het diepste duister, dus bij dezelfde lichtsterkte. Het is de schemertoestand waarbij het menselijk oog net nog, of net alweer, alle kleuren ziet.

Daarmee lijkt het kleine raadsel dat hier vorig jaar werd opgevoerd weer wat te zijn gegroeid. Vorig jaar concentreerde de verbazing zich op de waarneming dat het stoppen van de vogelzang niet wordt beïnvloed door bewolking. Rond Koninginnedag stoppen de Hardnekkige Drie om tien over half tien, of het nu heldere hemel is of zwaar bewolkt. Ze reageren op het zonneritme, maar toch niet direct op de lichtsterkte. Die indruk wordt bevestigd door de nieuwe waarnemingen, want het is natuurlijk vreemd dat de vogels 's ochtends bij precies dezelfde hoeveelheid licht ontwaken als ze 's avonds slapen gaan als je bedenkt dat ze met hun ogen dicht slapen. Op het vogelnetvlies is het om 5.30 uur veel donkerder dan om 21.30 uur.

Toen in de loop van de Koninginnevlucht (vóór dat duidelijk was dat het horloge haperde) de vogels opvallend veel later leken te stoppen met zingen dan gewoonlijk was er even de gedachte dat er sprake moest zijn van `abnormale hoorbaarheid': dat merels, zanglijsters en roodborsten werden gehoord die normaal gesproken ver buiten de waarnemingssfeer vielen. Want aannemende dat er wat betreft zang-beëindiging altijd wel wat kleine verschillen bestaan tussen individuele vogels, dat dit binnen de Ardenner populatie bijvoorbeeld `normaal verdeeld' is, mag je verwachten dat er langer gezang te horen valt als de hoorbaarheid toeneemt. Als niet, zoals normaal, uitsluitend de vogels binnen een straal van 500 meter worden gehoord, maar opeens ook de vogels binnen een straal van, zeg, twee kilometer is de kans flink toegenomen dat daaronder extreme volhouders zitten. Op een slaapzaal met twintig kinderen zijn de kinderen gemiddeld eerder allemaal wakker dan op een zaal met twee.

Op de `hoorbaarheid' (zoals Minnaert dat noemde) zijn in de natuur twee factoren van invloed: de wind en de temperatuur. Of beter gezegd: het windprofiel en het temperatuurprofiel. Wind `waait geluid naar ons toe' omdat de windsnelheid evenredig met de hoogte toeneemt. Hetzelfde gebeurt als de luchttemperatuur aan het grondoppervlak lager is dan op wat grotere hoogte (een `inverse' bij heldere hemel). Minnaert legt het uit. Dit zijn geen marginale, theoretische invloeden maar zeer zware effecten. Soms is een trein op vier kilometer afstand nog te horen, soms op 400 meter niet.

Het horloge haperde, waarschijnlijk stopte de zang zoals gewoonlijk. En nu is er opeens de vraag waarom de abnormale hoorbaarheid in die afgelopen dertig jaar nooit een grote rol gespeeld heeft. Misschien komt het omdat er steeds liggend in een tent naar de zang is geluisterd. Dicht tegen de grond dringt sowieso weinig geluid door. Ook dat heeft Minnaert al opgemekt, maar de passage was gisteren niet direct te traceren.

Zo'n tien, twintig minuten na de zangstop is de schemer zo diep geworden dat de mens geen kleur meer ziet. Vorige week ontstond de indruk dat niet alle kleuren tegelijk in grijs veranderen. Geel en oranje blijven het langst als zodanig herkenbaar, zoals ook eergisteren (om circa 22.15 uur) te bevestigen viel. `t Is vreemd maar Minnaert zwijgt daarover (het Purkinje-effect is iets anders.). Een bevriend medicus denkt dat het komt omdat er van het zonlicht bij zonsondergang relatief veel geel en oranje overblijft. Het effect zou ontbreken bij de typische schemering die ontstaat bij een zonsverduistering.