Nieuwe studies moeten nuttig zijn

Demissionair staatssecretaris Nijs (Onderwijs, VVD) legt de sterke uitbreiding aan nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs aan banden. Voortaan mogen universiteiten en hogescholen alleen nog een nieuwe opleiding starten als die een direct maatschappelijk of economisch nut heeft.

Dat staat in een nota die Nijs naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Zo kunnen opleidingen voor artsen, verpleegkundigen of leraren nog wel op de steun rekenen van de staatssecretaris, maar maken studies die geen direct nut hebben voor de publieke sector of ,,innovatieve sectoren van de Nederlandse economie'' geen kans. Voorbeelden geeft Nijs niet. Op die manier moet ,,de start van steeds opnieuw grote aantallen opleidingen'' worden tegengegaan, schrijft de staatssecretaris.

Met name in het hoger beroepsonderwijs neemt het aantal studies ieder jaar toe. Dit studiejaar werden daar 125 nieuwe studies gesticht. Ook de universiteiten zetten ieder jaar tientallen nieuwe opleidingen op. In ongeveer de helft van de gevallen ging het hierbij om bestaande opleidingen die een nieuwe naam kregen, voor de rest zijn het compleet nieuwe studies als `Food and business', `Integrale veiligheid', `International business and management' of `Small business and retail management'.

Hogescholen krijgen van de overheid geld voor iedere student die zich inschrijft en voor ieder diploma dat uitgereikt wordt. Door dat systeem worden de instellingen naar eigen zeggen gedwongen elkaar met nieuwe, aansprekende studies te beconcurreren. Nijs wil hier echter vanaf, omdat volgens haar de `doelmatigheid' van al deze opleidingen in het geding is. Nu moet de overheid studies bekostigen waar de samenleving en de student geen behoefte aan hebben.

Nijs' voorganger en partijgenoot Hermans maakte het hoger onderwijs het eind jaren negentig juist eenvoudiger om met nieuwe studies te beginnen. Vroeger beoordeelde een onafhankelijke commissie of aanvragen voor nieuwe studies ingewilligd werden, maar Hermans liet dit aan de instellingen over. Nijs schrijft dat de instellingen echter ,,als collectief onvoldoende verantwoordelijkheid (kunnen) nemen'' om de groei aan studies ,,in goede banen te leiden''.