Latijn 5

In `Latijn is niet nuttig voor andere vakken' (W&O, 12 april) en de daaropvolgende brieven in W&O van 19 en 26 april over de betekenis van Latijn bij het zich eigen maken van daarvan afgeleide talen wordt een aspect gemist. Die afgeleide talen zijn immers, in tegenstelling tot het Latijn, analytische talen (zonder verbuigingen) en verschillen er dus structureel van. Dat geldt echter niet voor bijvoorbeeld Duits en Slavische talen. Bij deze talen, alle met verbuigingen, moet men terdege betekenis en gebruik van die verbuigingen kennen om een tekst te begrijpen. Daarbij komt inderdaad, zo is in de praktijk gebleken, een training in Latijn (en Grieks) goed van pas, zelfs bij vertalen uit het agglutinerende Hongaars.

In een discussie als de onderhavige moet dus a priori wel degelijk onderscheid worden gemaakt tussen de structuur van een taal en de woordenschat ervan. Of kennis van Frans meer gemak geeft dan Latijn bij het leren van Spaans is nog de vraag. De Fransen zelf hebben een natuurlijke neiging Spaans te `besmetten' met door Spanjaarden verfoeide gallicismen. Overigens is een groot deel van het vocabularium van Romaanse talen, bijvoorbeeld Spaans, niet of moeilijk terug te brengen tot het Latijn dat op school wordt geleerd. Tenslotte: apothekers- of dokters-Latijn (of Grieks) leidt niet tot begrip van literatuur in een Romaanse taal.