Hij eet, denkt en drinkt hockey

Amsterdam begint volgende week als de uitgesproken favoriet aan de play-offs van de hockeycompe- titie. Met dank aan coach Jim Irvine (54), de ex-international uit Australië die als speler het fysieke duel niet schuwde, maar als coach zweert bij de dialoog. ,,Ik ben niet de alwetende.''

Toen zijn naam twee jaar geleden in Den Haag viel, wist Ties Kruize niet hoe snel hij zijn veto moest uitspreken. Jim Irvine, de nieuwe trainer-coach van de hockeyers van HCKZ? De gedachte alleen al deed het boegbeeld van de fusieclub uit Den Haag huiveren: een meedogenloze Australiër met wie hij indertijd pittige duels uitvocht en die daarbij naar zo'n beetje alles sloeg wat bewoog. Diezelfde Jim Irvine nu aan het roer bij de achtvoudig landskampioen waar Kruize tegenwoordig de functie van voorzitter bekleedt? Het voormalige strafcornerkanon piekerde er niet over.

Zestig kilometer verderop kenden ze geen bedenkingen. Bijna twee jaar na zijn aanstelling bij Amsterdam vertrekt Irvine geen spier zodra hij wordt geconfronteerd met zijn gevreesde reputatie: de spijkerharde verdediger die niet schroomde de botte bijl te hanteren. Ja, hij was inderdaad geen lieverdje. ,,In die zin ben ik een gemiddelde Australiër, een man uit een land zonder grote geschiedenis en mede daarom uitgerust met een enorme geldingsdrang. Maar dat wil niet zeggen dat ik een speler was die tegenstanders opzettelijk probeerde te raken.''

In ruim tien jaar internationaal hockey ging de 168-voudig international ,,slechts twee keer werkelijk over de schreef''. Maarten van Grimbergen, destijds aanvaller van het Nederlands elftal en clubgenoot van Kruize, was een van de slachtoffers. Irvine: ,,Die heb ik ooit zo'n enorme beuk verkocht dat ik er zelf van schrok. Trots ben ik niet op dat voorval, maar het gebeurde. In let's say de hitte van de strijd.''

Rainbow noemden zijn Austrische ploeggenoten hem, nadat Irvine ooit tijdens een oefeninterland tegen Pakistan in minder dan dertig seconden alle kleuren van de regenboog te zien had gekregen: eerst een groene, vervolgens een gele en ten slotte een rode kaart. Grijnzend: ,,Het was één grote vergissing, na een misverstand in een overvolle cirkel waarbij ik door de scheidsrechter ten onrechte werd aangewezen als degene die een overtreding had gemaakt. Officials stelden me na afloop in het gelijk.''

Wie hem tegenwoordig langs de lijn ziet staan, kan zich geen voorstelling maken van de onverschrokken libero die zijn tegenstanders de stuipen op het lijf joeg. De trainer-coach van de ploeg die volgende week als uitgesproken favoriet aan de play-offs begint, is een toonbeeld van rust: een geduldige, ja bijna verlegen man die zelden of nooit zijn stem verheft. Een gespleten persoonlijkheid? Glimlachend: ,,There are no two Jim Irvines. De één sluit de ander niet uit. En dan nog: de hockeyer Jim Irvine is al lang en breed gestopt.''

Twee jaar is hij nu in Nederland, en hoewel Irvine nauwelijks een woord Nederlands spreekt (met een zwaar Australisch accent: ,,Ik ken een paar woordjes''), dragen zijn spelers hem op handen. ,,Ik heb al heel wat coaches meegemaakt, maar nog nooit één die zelfs de bankspelers tevreden weet te houden'', zegt spits en oud-international Marten Eikelboom, met wie de voormalige assistent van de Australische nationale ploeg zo nu en dan op de golfbaan te vinden is. ,,Daarbij komt dat Jim zelf op hoog niveau heeft gehockeyd. Hij begrijpt wat daarbij komt kijken.''

Irvine komt vooral de eer toe de rust te hebben hersteld bij de club die dit seizoen heer en meester is in de hoofdklasse, maar tot voor kort bekend stond als een broeinest. Amsterdam, dat was immers het hockeybastion waar alles en iedereen geregeld voor zijn beurt sprak, de club waar de coach per definitie een speelbal was van betweterige spelers, de club ook waar het toenmalige bestuur consequent bezweek voor de nukken en de grillen van de spelersgroep. Irvine kent die geluiden. ,,Maar wat zich hier de afgelopen jaren precies heeft afgespeeld, weet ik niet. Ik wil het ook niet weten. Het zou mijn kijk op het heden alleen maar in de weg staan.''

Nee, geen kwaad woord over de club uit het Wagener-stadion. ,,Vlak na mijn aankomst in Nederland overleed mijn moeder. Moest ik halsoverkop terug naar Australië. Haar dood greep mij aan. Eenmaal terug in Amsterdam had ik sterk de behoefte om te praten over haar, en over wat zij voor mij betekend heeft. Zat ik na de training met het tweede in het clubhuis urenlang te praten met (oud-international, red.) Taco van den Honert. Die kende mij amper, laat staan mijn moeder. Maar hij was een en al oor, en hij begreep me. Ik voelde me onmiddellijk thuis.''

Hoewel: ,,Hoe jullie het voor elkaar krijgen, weet ik niet. De eerste paar weken liep ik zo'n beetje met m'n neus op de grond, bang als ik was om in de hondenpoep te trappen.'' Hij lacht besmuikt. Begrijp hem niet verkeerd: Nederland is een prachtland. Samen met zijn vrouw woont hij ,,met veel plezier'' in de Amsterdamse Rivierenbuurt. ,,Elke dag lopen we naar het centrum. Lopen! Kom daar eens om in Australië. Daar ben je met de auto gemiddeld al zo'n twintig minuten kwijt om van de suburbs in de stad te komen.''

Ooit kreeg de in Sydney geboren, maar in Melbourne getogen Irvine een economisch handboek toegespeeld: The One Minute Manager. De inhoud werd de leidraad van Irvine's denken en handelen, toen hij na de Olympische Spelen van Los Angeles (1984) zijn actieve loopbaan beëindigde en zich bekwaamde in het vak van trainer-coach. ,,Een goede manager, of dat nu de directeur van een multinational is of de coach van een sportploeg, is iemand die elke dag zijn oor te luister legt bij zijn collega's. Dat kan een simpel How are you? zijn. Bij de koffie-automaat zijn of een kort gesprekje op de gang over het weer. Verbale interactie is essentieel voor het functioneren van een bedrijf of een sportploeg. Tussen coach en spelers, maar ook tussen spelers onderling. Dat klinkt misschien simpel, maar veel coaches begrijpen dat niet of willen dat niet begrijpen.''

Net als voetbalcoach Louis van Gaal weet Irvine dan ook vrijwel alles van en over het privéleven van zijn spelers. ,,Ik ben oprecht geïnteresseerd in wat hen buiten de sport bezighoudt. Hockey is slechts een deel van hun leven. Voor de meesten is hun studie, hun relatie of hun hobby buiten het hockey minstens zo belangrijk. Sporters zijn ook mensen, dat wordt nog wel eens vergeten. Een speler neemt zijn besognes mee naar de club, mee naar het veld, en dat vertaalt zich in het veld. Dan kan ik maar beter op de hoogte zijn van zijn wel en wee.''

Amsterdam-voorzitter Jons Hensel noemt hem wel eens gekscherend `de Foppe de Haan van het hockey'. ,,Want die man eet, denkt en drinkt hockey, elke dag opnieuw, hij is hockey.'' Uren kan Irvine doorbrengen achter de video. Al is hij de eerste om het belang van de beeldanalyse te relativeren. ,,Je moet spelers niet overvoeren, dat werkt averechts. Alles met mate, dus ook als het gaat om video.''

Nog zo'n veelgemaakte fout in het hedendaagse hockey: in de video-analyse de nadruk leggen op speltechnische of -tactische fouten. Irvine: ,,Ik ken ze hoor, de coaches die met behulp van de video maar blijven hameren op de vermeende tekortkomingen van hun spelers. Ik moet daar niets van hebben, omdat het oneindig vaak herhalen van fouten vaak tot gevolg heeft dat het zelfvertrouwen van een speler wordt ondermijnd. Bovendien en dat is nog veel belangrijker bieden zulke coaches geen alternatief. Om die reden kies ik in een bespreking voor beelden waarop te zien is wat ze juist wel goed hebben gedaan. Een mooie individuele actie, een prima spelverlegging dát inspireert, want dat kunnen ze.''

Spelers zijn geen inwisselbare schaakstukken waarmee de coach vóór, tijdens en na een wedstrijd naar hartelust kan jongleren. Zoveel wil Irvine maar zeggen. Blij is hij dan ook met de vaak als `typisch Nederlands' versleten grondhouding van zijn spelers bij Amsterdam: de neiging om elke beslissing of opdracht te counteren met de onvermijdelijke waarom-vraag. Irvine: ,,I love that! Ik wil juist een weerwoord. Ik wil weten wat ze voelen, wat ze denken, wat ze meemaken op het veld. Wat dacht je? Dat ik de wijsheid in pacht heb? Het is bijna twintig jaar geleden dat ik ben gestopt. Sindsdien heeft de sport niet stilgestaan. Integendeel zelfs. Neem de backhandslag of de sleeppush. Beide technieken kenden wij destijds niet. Door wie kan ik mij op zulke specifieke spelonderdelen in dat geval beter laten informeren dan door mijn spelers? Zij zijn verreweg mijn belangrijkste bron van informatie. Ik heb dan wel de eindverantwoordelijkheid, ik ben niet de alwetende. Die pretentie heb ik ook niet.''

Zelf kan hij terugkijken op een weliswaar rijke, maar niet met `grote' prijzen gelardeerde internationale carrière. ,,Ik ben niet gefrustreerd, wel teleurgesteld. In Montreal (Olympische Spelen 1976, red.) hadden we goud moeten winnen, maar verslikten we ons in finale in onze aartsrivaal Nieuw Zeeland, van wie we tot dan toe nog nooit verloren hadden. Onderschatting is een groot woord. Maar feit is dat we in mentaal opzicht onvoldoende voorbereid waren op die wedstrijd. Dat heb ik mezelf heel lang kwalijk genomen.''

Acht jaar later in Los Angeles gebeurde hetzelfde, met dat verschil dat het doorgaans dartele Pakistan in de halve eindstrijd (1-0) een verrassing in petto bleek te hebben. ,,Pakistan stond voor aanvallen, aanvallen en nog eens aanvallen. De verdediging hing er altijd maar een beetje bij. Tegen ons gooiden ze het roer plotseling volledig om: ze groeven zichzelf in op eigen helft. Eén counter en het was gebeurd. Zoveel jaren later kan ik nog altijd nauwelijks geloven dat de Pakistanen voor die ene wedstrijd radicaal van tactiek veranderden.''

Ironisch genoeg won Australië twee jaar na Irvine's afscheid in Londen 's lands eerste wereldtitel. Het is de laatste hoofdprijs van de nationale ploeg, die sindsdien op de cruciale momenten niet thuis gaf. In eigen land staan The Kookaburras niet voor niets te boek als chokers. Irvine kent dat vooroordeel, dat drie jaar geleden opnieuw aan kracht won toen het gastland in de halve finales van het olympisch toernooi op strafballen verloor van titelverdediger Nederland. ,,Maar ik deel die opvatting niet. Het was geen kwestie van bezwijken voor de druk van het eigen thuispubliek, zoals toentertijd zo vaak is gesuggereerd. Ik zat in Sydney zelf op de bank als assistent. Wat ik toen dacht, denk ik nog steeds. Ik heb de beelden van die bewuste wedstrijd vaak genoeg teruggezien om met zekerheid te stellen dat (doelman, red.) Ronald Jansen die beslissende bal van Brent Livermore op een onwaarschijnlijke manier uit het doel ranselde. Dat had niets met zenuwen te maken.''