Herrezen handschrift

Het verloren gegane Utrechtse Handschrift 1009 is gereconstrueerd. Het speelt onmiddellijk weer een rol in de twist over het voortbestaan van tradities over Jezus die buiten de officiële evangeliën bleven.

Op de dag af 45 jaar geleden stond in het Algemeen Handelsblad, een van de voorlopers van NRC Handelsblad, een dramatisch artikel van de Utrechtse kerkhistoricus Gilles Quispel. Want het vijftiende-eeuwse Utrechtse Handschrift 1009 bleek in 1945 te zijn zoekgeraakt in Bonn. Het is een van de vele middeleeuwse levensbeschrijvingen van Jezus Christus, een zogenoemde `evangelieharmonie', waarin de vier evangeliën worden gecombineerd tot één lopend verhaal. In 1941 was het manuscript uitgeleend door de Utrechtse Universiteitbibliotheek aan de bibliotheek in Bonn, alwaar het alle oorlogsbombardementen overleefde. Maar nadat het nooddepot waarin het manuscript op het laatst was opgeslagen, werd gevorderd door het Amerikaanse bezettingsleger, is er nooit meer een spoor van de middelnederlandse tekst teruggevonden.

Volgens Quispel was dat verlies een echte ramp omdat dat manuscript wel eens belangrijke aanwijzingen zou kunnen bevatten voor het voortleven van apocrieve, gnostische tradities omtrent Jezus, waarin vooral het beroemde Evangelie van Thomas een rol speelt. Dat evangelie was pas in 1948 gevonden, in de Egyptische woestijn, als onderdeel van de Nag Hammadi-vondsten. Volgens Quispel speelt in die alternatieve traditie over Jezus een tweede-eeuws evangelieharmonie van Tatianus een belangrijke rol als intermediair. Dit `diatessaron' is alleen bekend uit een paar Syrische fragmenten en citaten in een commentaar uit de vierde eeuw. Uit later tijd stammen een Latijnse en Arabische bewerking van dit Diatessaron. De verloren tekst uit Utrecht kan daarom ``van eminent belang zijn voor het wetenschappelijk onderzoek'', schreef Quispel op 10 mei 1958 in het Handelsblad. ``Daarom schrijf ik dit artikel, want het zou kunnen zijn dat een lezer er meer van weet.''

Wel, het heeft even geduurd, maar eindelijk heeft een lezer gereageerd. Want de verloren tekst van manuscript 1009 is terecht, zo schreef de Amsterdamse hoogleraar boekwetenschap August den Hollander onlangs aan de redactie. Den Hollander is een jaar bezig geweest de tekst te reconstrueren uit tienduizenden stukjes tekst op aantekeningkaartjes die zijn gemaakt door de laatste lezer van het handschrift, de Duitse liturgiekenner en taalkundige prof.dr. Anton Baumstark, die in 1948 overleed. Het was Baumstark die het manuscript indertijd naar Bonn had laten halen. De kaartjes werden al in de jaren zestig ontdekt, in het Duitse Benedictijner klooster Beuron waar een deel van de nalatenschap van Baumstark terechtkwam. Toen werden ze door de kerkhistoricus C.C. de Bruin als `volkomen onbruikbaar' beoordeeld.

Maar Den Hollander ging de uitdaging wel aan. Hij is nu èrg blij dat het klaar is. ``Het was een verschrikkelijk werk'', vertelt hij in een telefonische toelichting. ``Baumstark had een bijna onleesbaar handschrift. En hij had alleen de afwijkingen genoteerd van een andere Middelnederlandse evangelieharmonie, zodat ik voortdurend moest vergelijken met dàt manuscript.''

Maar nu is het er dan, een wetenschappelijke uitgave wordt voorbereid. Quispel, inmiddels 86 jaar oud, reageert verheugd vanuit zijn woning in Bilthoven. ``Het is echt heel fijn dat Den Hollander dit gedaan heeft. Ik heb de grootste waardering daarvoor.'' Maar met de opvattingen van Den Hollander over de tekstafwijkingen in de middeleeuwse evangelieharmoniën, daar is Quispel het dus helemáál niet mee eens.

In 1999 bekritiseerde Den Hollander namelijk in `Queeste, tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden' Quispels centrale hypothese dat de tekstafwijkingen in de evangelieharmonieën afkomstig zijn van oudere buitenevangelische tradities. De kwestie liep snel hoog op, een leerling van Quispel heeft al gereageerd met een artikel in de Harvard Theological Review.Den Hollander en zijn Britse collega U.B. Schmid onderzochten in hun stuk een andere fameuze middelnederlandse Evangelieharmonie, het Luikse Leven van Jezus, die door Quispel als belangrijke bron voor zijn these wordt gebruikt. Den Hollander: ``Omdat die afwijkingen in de middeleeuwen wijdverbreid zijn en zo verschillend per handschrift, moet ook de bron van die afwijkingen wijd verbreid zijn. De bron die door Quispel wordt aangewezen, een oud-Latijdnse vertaling van het Diatessaron van Tatianus, daarvan vind je geen enkel spoor.'' Het gaat ook niet om grote verschillen met de officiële vier evangeliën. Het gaat bijvoorbeeld om de aan het Thomas Evangelie verwante lezing `niemand steekt een lamp aan' in plaats van het kanonieke `men steekt geen lamp aan' (zoals in Mattheüs 5:15).

Den Hollander en zijn collega U.B. Schmid zoeken de herkomst van de kleine tekstafwijkingen daarom in de overvloedige middeleeuwse bijbelinterpretaties, die meestal als marge-aantekeningen, `glossen', in bijbelmanuscripten werden geschreven. En met resultaat: ``Het is een heel gezoek, maar dan vind je ook letterlijk dezelfde woorden.'' Niks geen voortleven van woorden uit het Diatessaron dus, en al helemaal niet uit het Evangelie van Thomas. ``Daarvan zijn geen overtuigende tekstbewijzen'', aldus Den Hollander.

Jawel, riposteert Quispel. ``Dat die evangelie-harmonieën de glossen gebruikten als bron, dat is allang bekend. Maar waar haalden die commentatoren hun informatie vandaan? Uit teksten die gebaseerd waren op Tatianus. Je ziet in de Glossen bijvoorbeeld de gedachte dat niet alleen Jozef maar ook Maria van David afstamt. En die komt óók voor in het Diatessaron van Tatianus, zo blijkt uit oude Syrische teksten. Nee, zo gemakkelijk komt men niet van mij af hoor!''

Quispel bestrijdt ook dat het gaat om kleine tekstwijzigingen, die inhoudelijk niet zo van belang zijn. Hij haalt een voorbeeld uit een negende eeuws evangelieharmonie, de Heliand. ``Daarin staat in een vergelijking van Jezus dat één visser in het water staat en met een werpnet vist. In Mattheüs staan er echter meerdere vissers en wordt het verhaal verbonden met het laatste oordeel: de engelen komen de zondaars `opvissen'. Maar in het Evangelie van Thomas staat ook maar één visser, en ook geen verwijzing naar het laatste oordeel. In mijn ogen is dat een heel belangrijk verschil, tussen Jezus als wijsheidsleraar of als prediker van het laatste oordeel.''

Den Hollander ziet weinig in deze manier van speuren naar de ware woorden van Jezus. ``Uiteindelijk gaat het bij Quispel en de zijnen om een grote visie, dat er een krachtige andere, wáre traditie over Jezus bestond. Centraal is voor hen de vraag hoe wijd verspreid het Evangelie van Thomas was onder de vroege christenen. Dat willen ze aantonen door een wijde verspreiding te bewijzen van het Diatessaron van Tatianus, dat van Thomas gebruik zou hebben gemaakt. En dat moet weer bewezen worden door daarvan weer in latere teksten veel sporen terug te vinden. Dat is allemaal erg wankel. Quispels leerling Joosten schrijft nu in zijn aanval op ons in de Harvard Theological Review dat hij Syrische taalinvloeden ziet in het Middelnederlands van het Luikse Leven van Jezus. Dat zou wijzen op afhankelijkheid van het Diatessaron. Wij hebben dat uitgezocht. Maar deze grammaticale constructies zoals de herhaling van het voorzetsel (`Jezus sprak met schriftgeleerden en met Farizeeën') blijken héél gewoon in het vroeg-Middelnederlands. Dan wordt zo'n bewijsvoering niet alleen nodeloos ingewikkeld, maar zelfs onzinnig.''

Het nieuw gereconstrueerde Manuscript 1009 heeft Den Hollander overigens nog niet doorgevlooid op verwijzingen naar glossen of misschien toch het Diatessaron. ``Nee, ik heb nu even genoeg van die tekst.''