`En, nog wat bijzonders meegemaakt?'

Ambulanceverpleegkundigen staan bij veel mensen bekend als cowboys. `Maar een goede ambulanceverpleegkundige heeft geen western-mentaliteit', zegt Philip Vos die al 27 jaar op de ambulance in Rotterdam werkt. Over caféknokkers, aanstellers en een ten dode opgeschreven meisje van acht. `Ik dacht: dit mag niet. Dit mag gewoon niet.'

Philip Vos (55) woont met vrouw en drie kinderen in Bilthoven en werkt vanaf 1975 bij de GGD te Rotterdam als ambulanceverpleegkundige. Hij houdt van zijn werk.

,,Een van de moeilijkste dingen in mijn vak is als je groen hebt. Dat wil zeggen, dat je bij een heel groot ongeluk de eerste wagen bent. In plaats van het blauwe zwaailicht waarmee we nu rijden moet dan het groene aan. En we doen groene hesjes over onze jassen. Alleen de helm blijft geel. Vaak betreft het een kettingbotsing in de mist. Je begint dan met een zaklamp en je mobiele telefoon langs de wrakken te lopen. Die is dood. Die heeft een schedelfractuur. Die zit bekneld. Uit sommige auto's hoor je gekreun. `Help me'. Maar je mag niets doen.

,,De eerste wagen heeft bij zo'n calamiteit de taak te inventariseren en te coördineren. Hoeveel doden en gewonden zijn er? Wat is de aard van de verwondingen? Hoeveel wagens zijn er nodig? Als de politie er eerder is dan de rest, trekt er soms een agent aan je arm. Kunt u in die auto geen bijstand verlenen? Zo'n politieman beseft op dat moment even niet wat groen is.

,,Elke ambulance die arriveert moet zich bij jou melden. Je moet dan soms heel streng zijn. Want iedereen wil de ernstige trauma's. Lichte fracturen en snijwijwonden raak je bijna niet kwijt. Tegen de vijfde wagen zeg je: in het politiebusje zit iemand met glas in zijn been. Die doen jullie... Op weg ernaartoe wijkt hij opeens uit, om bij een veel groter geval te gaan helpen. Dan moet je er achteraan. Nee, naar het busje! Grote trauma's zijn voor ons de krenten in de pap. Dát geeft de meeste spanning en mogelijke voldoening. Maar je moet nu niet denken dat we een soort cowboys zijn. Veel mensen denken dat. Dat komt door de televisie. De commerciële omroepen. 112! Hoe meer bloed, hoe beter. Ze doen alsof het wildwest is, waarin wij de cowboys zijn. Stoere cowboys. Een buurvrouw zei me dat een keer. Toen had een jochie van zeven gebeld dat zei: `Mama zegt niets meer.' Wij ernaartoe. Ik kom een donker kamertje binnen. In de hoek ligt een grote berg kleren, jassen en gordijnen waar twee benen onderuit steken. Het is z'n moeder. Het was geen natuurlijke dood. Ze was vermoord. Politie erbij, en ik zeg: `Waar is dat jochie?' Bij de buren. Dan komt de opvang. Dat jochie zegt: `Wat is er met mama gebeurd?' Ik zeg

...dat is zo hard, ik zeg voorzichtig: `Mama is dood.' Je kunt moeilijk zeggen: `Mama slaapt.' Dat jochie pakt m'n hand vast en kijkt me aan. Hij zei niks. Hij keek alleen. Ik heb zitten huilen!

,,De politie huilde, m'n maat huilde, iedereen huilde. Toen zei die buurvrouw dat: `Goh, ik dacht dat jullie van die cowboys waren, maar jullie blijken ook gevoel te hebben.' Dat was fijn om te horen, maar ook weer niet. Dat cliché... een goede ambulanceverpleegkundige mag zo'n western-mentaliteit helemaal niet hebben.''

Het is zaterdagnacht 02.30 uur. Een rijtjeswoning in Rotterdam-Zuid. Mogelijk schedeltrauma. Oproep gedaan door de huisartsenpost.

,,Meneer, weet u waar u bent?''

,,Thuis.''

,,Waar is thuis?''

,,In Rotterdam.''

,,Wat voor dag is het?''

,,Zaterdag.''

De patiënt is een jaar of zestig. Bleek weggetrokken zit hij voorovergebogen op een groot bed. Naast hem staat een kotsbakje, voor de helft gevuld met slijm. Het achterhoofd vertoont een kleine verwonding. Om een uur of half negen is de man lelijk gevallen. Sindsdien is hij misselijk en heeft hij barstende hoofdpijn. Als de man is onderzocht, zegt Philip: ,,Voor de zekerheid gaan we even naar het ziekenhuis.''

,,Nee'', zegt de man, ,,ik blijf hier.''

,,Meneer, het is...''

,,Ik blijf hier'', herhaalt de man. ,,Thuis, ik blijf thuis.''

De echtgenote doet een stap naar voren. ,,Henk, doe nu niet zo eigenwijs, en ga met de heren mee.''

,,Nee!''

Philip pakt de man bij de arm en helpt hem overeind. ,,Echt, meneer, dit is even nodig. Uw vrouw komt mee.'' Een half uur later is hij afgeleverd bij het Ikazia ziekenhuis.

,,Weerbarstig gedrag zie je heel vaak bij mensen met een schedeltrauma'', zegt Philip, als de ambulance koers zet naar de centrale GGD-post. ,,Zulke patiënten zijn dikwijls angstig en verward. Soms zelfs agressief. Met zachte drang krijg je ze altijd wel mee. Ik denk dat het hier een zware hersenschudding betreft, maar je weet het nooit. Mensen van die generatie bellen pas als het er echt beroerd uitziet. Je belt niet zomaar de dokter, hè?

,,Tegenwoordig is dat wel even anders. Veel mensen bellen direct de 112. Dat is ergens te begrijpen. Daar ligt je naaste. Opeens onwel geworden. Hoe moet je nou weten of het spoedeisend is? Als ze wel met de dokterspost bellen, krijgen ze een bandje te horen. `Dit is de dokterspost. Bij levensbedreigende situaties: toets een 1. Bij niet levensbedreigende situaties: toets een 2. Houd uw ziekenfondsnummer en verdere gegevens bij de hand. Wij maken u er op attent dat dit gesprek wordt opgenomen.' Halverwege hangen ze dan al bij ons aan de lijn. Dan hoort de meldkamer: `Pa is bewusteloos!' Dan vraagt de centralist: `Hoe is zijn kleur? Ademt hij nog?'

Geschreeuw. `Ja, snel. Kom snel. Stuur die auto!!' Men eist een auto. Als ik de straat inrijd en de voordeur zie, weet ik het dikwijls al. Niks aan de hand. Waarschijnlijk een sociale kwestie. Het is een achterstandswijk. Werkloosheid, veel relatieproblemen, en nauwelijks een bewoner met een boekenkast in huis. Het wil niet zeggen dat iedere sociaal achtergestelde....maar, aan sommige details heb ik genoeg. Heel gek is dat. Mijn vader was wijnhandelaar. Op het laatst kon hij aan een fles ruiken wat voor een wijn of het was. De smaak, het jaartal, alles. Zoiets. Het is de ervaring van jaren.

,,Binnen ligt een man op de grond. De familie er zenuwachtig omheen. En ja hoor, hij heeft z'n ogen stijf dicht. Eerst werk ik die familie de kamer uit. Want ze moeten natuurlijk niet te weten komen dat hij niets mankeert en een schijnvertoning opvoert. Dan breng ik een tube (krom pijpje) in de keel aan. Dat hoeft niet, je kunt hem net zo goed in z'n zij porren. Kokkend komt de man overeind. `Uuugh!' Gaat-ie spelen. `Waar ben ik? Hè?' Puur medisch bezien noem ik dat een SGMV: Stelt Geen Moer Voor. Het was allemaal om de aandacht te doen. Nooit is er serieus met hem gecommuniceerd. Nu de bom gebarsten is, wordt er eindelijk een keer naar hem geluisterd. Is hij een keer het middelpunt. Wij kunnen er natuurlijk niet zoveel mee. Behalve met hem praten. Dan adviseer je verder de huisarts. Die kan dan de Riagg inschakelen.

,,Wacht, een oproep. Wagen negen. Ja, waar? We gaan erheen.'' En dan op rustige toon tegen de chauffeur: ,,Een vechtpartij in de Blue Moon-discotheek. Man met een kapotte bierfles tegen hoofd geslagen. Bloedverlies.'' De chauffeur drukt op twee knoppen onderaan het dashbord. Jankend stuift de ambulance er vandoor. Met een vaart van 100 kilometer op een kruising af, waarvan de lichten op rood staan. Auto's wijken opzij. Op een blauwe sportwagen na, die in volle vaart van links komt, en in een uitwijkende manoeuvre voorlangs de ambulance schiet.

Hij eindigt in het grind van de trambaan. ,,Naar de Kwik-Fit'', zegt de chauffeur.

Voor de discotheek is een opstootje. Veel kleerkasten in korte, leren jacks. Een aantal agenten tussen ze in, iemand van de hondenbrigade ernaast. Eén agent haalt uit de toegangshal een jongeman naar buiten. Hij loopt wat onvast. Aan de linker zijkant van zijn hoofd is een lange, diepe snee van een centimeter of tien te zien. Naar de ambulance.

Dan maakt een feestganger zich uit het groepje los. Verhit stapt hij met gebalde vuist op de gewonde af. Net op tijd springt een politiehond grommend naar voren. In de wagen wordt een verband op de wond gedrukt. Op naar Dijkzigt. Dat wordt hechten.

Zaterdagnacht, 05.30 uur. Spoedeisende hulp in het Erasmus Medisch Centrum. In de behandelkamer een oude vrouw met astma cardiale. Zij heeft heftige ademnood als gevolg van onvoldoende hartwerking. De oproep is gedaan door bejaardentehuis.

,,We hebben ter plekke een ECG gemaakt. Hier is de film. Mevrouw is vreselijk benauwd. Verder hebben we een infuusnaald ingebracht, wat vochtafdrijfmiddel, en morfine. Dat was het.''

In de gang komen twee verpleegkundigen met een bed voorbij, met daarin een bewegingsloze patiënt. Philip loopt naar de voorste verpleegkundige en wisselt een paar woorden. ,,In het bed lag de man die gevallen was'', zegt hij, als hij terug is bij de chauffeur. ,,Hij heeft toch een bloeding in het hoofd. Ze hebben hem naar het Erasmus overgebracht. Hij gaat het niet halen. Dat had ik niet verwacht. Zijn vrouw zei toch dat hij altijd eigenwijs is? Ik heb het een paar keer gevraagd. Als ze nou had gezegd dat hij opeens zo anders deed, was de alarmbel gaan rinkelen.'' In de hal verderop staat de echtgenote. Ze omhelst een jonge, huilende vrouw, vermoedelijk haar dochter. Philip loopt erheen.

Donderdagmiddag. Een snelle maaltijd in de kantine van het Rotterdams vervoersbedrijf. Kil tl-licht weerspiegelt in het formica van de eettafeltjes, de buschauffeurs nuttigen hier hun fastfood. De dag begon met een ongeluk op de Beukelsdijk. Om de bestuurster uit de auto te krijgen moest de brandweer het dak eraf knippen. Daarna werd een kind van het ziekenhuis naar huis vervoerd. Het had geen kans meer. De tumor was onbehandelbaar gebleken. En er was nog een loos-alarmrit. ,,Die hebben we elke dag wel een keer. Geintjes van pubers. Of het is iemand die zijn ex eens flink de stuipen op het lijf wil jagen. Daar ben je dan wel een wagen aan kwijt.'' Hij aarzelt. ,,Wat ik voor de ambulancetijd heb gedaan? Het klinkt misschien gek, omdat het zo'n contrast is. Ik heb in een klooster gezeten. Twaalf jaar. Het klooster van het Allerheiligst Sacrament in het Limburgse Baarlo. Ik was veertien toen ik erheen ging. Vader was naast zijn werk kerkmeester. Ik kom uit een heel katholiek gezin. Toch had ik van God nauwelijks een voorstelling. Hem te dienen, daarvoor ging ik er niet naartoe. Ik was gefascineerd door de mystiek. Door de schoonheid ook van de katholieke pracht en praal. De processies, het meezingen als misdienaartje in die grote kerken. Het leek net een sprookje. In het klooster zou een grote gemeenschapszin heersen. Nou, dát viel bitter tegen. Er is geen eenzamer plek op de wereld dan een klooster. Nergens mocht je je aan hechten. Je kamer had je bijvoorbeeld nooit langer dan drie maanden. En de kloosterlingen hielden zich vooral met zichzelf bezig. En met ideeën. Nooit kreeg je eens erkenning. Van de paters wist je niets. Tot niemand kon je doordringen. Een standaarduitdrukking van ze was: `in de wereld'. Alles wat buiten het klooster gebeurde heette zo. Ze waren volkomen wereldvreemd.

,,Toen ik de kloosterschool achter de rug had, ging ik voor verpleegkundige studeren. Het was geen gesloten klooster, hoor. Daarna ging ik in het ziekenhuis van Nijmegen werken. Ik kwam er patiënten tegen uit heel armoedige wijken. Ik dacht toen vaak aan de gelofte van armoede die ik in het klooster had moeten afleggen. Ha! De gelofte van armoede. Nou, dat gold dan niet de paters. Die hadden hun zaakjes goed voor elkaar. Die wisten hun weggetjes. Het rijke roomse leven, hè. Zo ging dat toen. Het sprookje begon te wankelen, terwijl de eenzaamheid me meer en meer tegenstond.

,,Op een avond, het was de bruiloft van m'n zus. Toen het afgelopen was, zag ik allemaal stelletjes vertrekken. Ik moest alleen terug naar het klooster. Onderweg voelde ik me zo ellendig. Ik kon er niet meer tegen. Op m'n zesentwintigste had ik het gehad. Ik ben op kamers gaan wonen, en na een tijdje wilde ik ook ander werk gaan doen. Iets spannenders dan het ziekenhuis. Iets waarin ik zelf beslissingen kon nemen, zonder dat er een dokter zei wat er moest gebeuren. Ik wilde avontuur. Het werd ambulancebroeder. Eerst in Nijmegen. Later, toen ik inmiddels getrouwd was, in Rotterdam.

,,Daar leer je de wereld kennen. De absurditeit. Het geweld dat meer en meer is toegenomen. Koosje, zo heet mijn vrouw, ontmoette ik op een verjaardag. Ik was meteen verliefd. Ze bleek predikante te zijn. Nederlands hervormd. Van de vrijzinnige soort. Dat was mooi meegenomen, omdat ik het geloof zelf niet losgelaten had. Het was alleen een ander verhaal geworden. Praktischer. Met beide benen op de grond.

,,We trouwden in '81. Koosje zegt weleens dat die kloosterervaring bij mij de distantie heeft gevormd, die je in dit vak toch nodig hebt. Dat ik heel onverstoorbaar kan zijn. Tsja, je kunt nergens lang bij stilstaan. Tegelijk moet je er voor de mensen willen zijn. Empathie kunnen opbrengen. Dat is een vreemd spanningsveld, wat ik zelf ook niet begrijp. Het heeft niets met de christelijke naastenplicht te maken. Ik heb juist de pest aan die mentaliteit.

,,Als ik erover nadenk, kom ik altijd uit op m'n karakter. De aard van het beestje. Mijn kinderen hebben het ook. Terwijl ik ze zo helemaal niet heb opgevoed. Ik kan me goed voorstellen dat anderen in dit werk helemaal van hun geloof afvallen. Vanochtend was ik kwaad. Dat kind met die tumor. Het is onrechtvaardig! Een kind van acht! Ze zei dan wel tegen haar moeder die het achterin zo te kwaad had: `Als ik dood ben, kan ik jullie toch nog vanuit de hemel zien?' Dan kun je denken: dit is de troost die het geloof toch maar mooi te bieden heeft. Maar ik dacht: dit mag niet. Dit mag gewoon niet. Er is geen antwoord. De paters wisten het niet, Koosje weet het niet. Ik kan er ook niet bij.''

Donderdag. 20.00 uur. Het plein voor het Centraal Station. Een geestelijk gestoorde zwerver, aangetroffen op de grond naast een tramhokje. De oproep kwam van de politie.

,,Ik hoor steeds stemmen'', zegt de zwerver, als hij in de ambulance zit. Philip haalt zijn zakken leeg. Er komt een afstandsbediening tevoorschijn. Opeens is er een daverende klap te horen. Glasgerinkel. Even later rent een agent op de ambulance af. Om de hoek is een tram uit de rails gereden. Gewonden! De chauffeur zet de zwerver achterop een fiets, en springt vliegensvlug achter het stuur. Een paar honderd meter verder een enorme ravage. Het middenstuk van de tram staat een meter uit de rails.

De chauffeur haalt een rolstoeltje voor het slachtoffer dat er het slechtst aan toe is. Ze heeft nek- en rugpijn, en veel schaafwonden. Terwijl Philip de vrouw onderzoekt, belt hij om een tweede wagen, en roept: ,,Kijk onder de tram!'' Er blijkt niemand te liggen. De chauffeur zet twee andere vrouwen in de ambulance. Als door een wonder mankeren ze niet veel. Een heeft een kapotte hand, en is helemaal overstuur. De ander is alleen geschrokken.

Philip gaat met de chauffeur nog even bij de halte kijken. ,,Mijn God'', zegt hij bij de ravage. ,,Maar drie gewonden. Als het de spits was geweest...Waar is die zwerver eigenlijk gebleven?''

Donderdagavond. 22.00 uur. Hoofdgebouw GGD. Wachtruimte.

,,Als ik thuiskom, en een van m'n kinderen vraagt me: `En, nog wat bijzonders meegemaakt?', dan moet ik heel hard nadenken. In het begin wist ik het nog wel, en begon ik er uit mezelf over. Trauma's hadden een veel grotere impact. In de loop der tijd wordt dat allemaal gewoner. Je zoveelste ongeluk. Maar ik ben niet afgestompt. Per se niet. Ik heb geleerd het een zekere plek te geven. Het is een soort overleven. Je gaat weer verder. Positief blijven. Humor maken. Volgende patiënt. Alleen als je weer langs de plek of het adres van het gebeurde rijdt, komt het soms terug.

,,Het zijn niet eens de gevallen die er vreselijk bloederig uitzien. Dat denken de mensen. Nou, dat zal wel blijven hangen. Hoe héb je het kunnen zien? Wij kunnen alles zien. Dat moet. Er wordt van je verwacht dat je handelt. Je doet het gewoon. Hé, jongens, hebben jullie weleens verwondingen gehad waarvan je dacht: jasses, ik kijk liever niet?''

Verhalen komen los. Vreselijke zelfmoorden, moorden, details van ongelukken. Te gruwelijk om op te schrijven. ,,Wat indruk maakt zijn de menselijke aspecten. De wanhoop bij de naasten als een leven is verwoest, of als de dood zich heeft aangekondigd. De dood is altijd negatief. Steeds komt het neer op een scheiding. Ik heb thuis een foto uit de krant, die zal ik bewaren. Het is een oorlogsfoto. Er staat een vrouw op die van enige afstand naar iemand uit een rijtje getroffenen kijkt. De blik in haar ogen! Die is zo herkenbaar voor mij. Je ziet ze denken: O, het zal toch niet waar zijn! Dat soort ogen zien wij ook. Bij reanimaties bijvoorbeeld. Als het erom spant, maar het duidelijk gaat worden dat het te laat is. Angst en een allerlaatste beetje hoop door elkaar. Ik schei er in juni na 28 jaar mee uit. Dan ben ik 55. Het is de pensioengrens in dit werk. Je kan een jaar bijtekenen, maar dat doe ik niet. Als je ouder wordt, begint het emotioneel toch zwaarder te worden. De spanning zal ik niet missen. Denk ik. Ik ga iets met asielzoekers doen. Voor ze vechten bij de overheid. Ik hou van strijd. Kijken of je kunt winnen.''