Eerst Palermo zien, en dan lezen

Citroenen zijn niet het enige dat bloeit in de streek bezuiden Rome, meldt Pieter Steinz in deel 19 van een serie over lezen op locatie.

Het was een bijzonder eerbetoon dat de Siciliaan Andrea Camilleri vorige week ten deel viel. Porto Empedocle, het havenplaatsje waar de beroemde misdaadromancier in 1925 geboren werd, sierde zichzelf met een nieuwe naam: Vigàta, naar de fictieve thuisbasis van Camilleri's schepping Salvo Montalbano. De humeurige commissaris, die tussen een glas wijn en een bord pasta de ingewikkeldste zaken oplost, was al goed voor de verkoop van miljoenen misdaadromans; op enkele duizenden toeristen per jaar mag dus wel gerekend worden. Werk aan de winkel voor de Siciliaanse toeristenindustrie; want op het eiland waar de citroenen bloeien, bevinden zich heel wat meer plaatsen die rijp zijn voor een nieuwe naam. Aci Castello bijvoorbeeld, dat veel beter Malavoglia genoemd zou kunnen worden, naar de titel van de beroemdste roman van de 19de-eeuwse ingezetene Giovanni Verga. Of Siracusa, dat net zo gemakkelijk Sciascia zou kunnen heten, naar de schrijvende Siciliaanse Leonardo. En als men dan toch bezig is, mag Palermo herdoopt worden tot Lampedusa, of desnoods Gattopardo, ter ere van de mooiste roman over Sicilië: Giuseppe Tomasi's De tijgerkat, over vijf jaar een halve eeuw oud.

Literair gezien kan geen regio van Zuid-Italië concurreren met Sicilië. Maar het heeft dan ook een voorsprong, want reeds de oude Griek Homeros situeerde een belangrijk deel van zijn Odysseia rondom de straat van Messina. Zelfs Sardinië, dat net als Sicilië lang een apart koninkrijk was, kan niet tippen aan zijn zuiderbuur. Toen Salvatore Quasimodo in 1959 als tweede Siciliaan (na Pirandello) de Nobelprijs voor literatuur kreeg, was het pleit beslecht. Een opvolger voor Sardiniës trots, Grazia Deledda (Nobellaureaat in 1925), heeft zich de laatste veertig jaar niet aangediend.

En dan het vasteland van Zuid-Italië: geen broedplaats van grote schrijvers, maar gelukkig nog wel populair bij buitenlanders, die er van tijd tot tijd een literair werk situeren. De pionier was de toneelschrijver John Webster, die in zijn wraaktragedie The Duchess of Malfi (1612) de `Mezzogiorno' beschreef als de hel op aarde. Hij werd onder meer nagevolgd door Horace Walpole (The Castle of Otranto) en de oorlogschroniqueur Curzio Malaparte (De huid). Margriet de Moor, die met De virtuoos een Nederlands Napels-boek schreef, hield het geweld beperkt – hoewel haar roman over het leven van een castraatzanger één scène bevat die sommige lezers liever niet waren tegengekomen.

Volgende week: Vlaanderen.

Suggesties: steinz@nrc.nl.