Een heilig taboe

In de Süddeutsche Zeitung van donderdag stond het volgende berichtje:

,,In Italië hebben uitlatingen van de Duitse historicus Ernst Nolte ontstemming opgeroepen. In een lezing voor de Senaat in Rome heeft Nolte dinsdag parallellen tussen Hitler-Duitsland en Israël getrokken. Volgens persberichten zou Nolte in een `lectio magistralis' over het thema `De toekomst van Europa' de stelling geponeerd hebben, dat Auschwitz het enige verschil is tussen Israël en het Derde Rijk. Israël voert sinds de vroegste zionistische tijden eenzelfde kolonisatiepolitiek als Hitler – met het verschil, dat de Israëlische politiek ingegeven is door de angst voor het overleven van het eigen volk. De historicus, die door rechtse kringen wordt gevierd, noemt zichzelf in een gesprek met de voorzitter van de Senaat Marcello Pera, dat werd afgedrukt in de Repubblica, een man van links. Tegen de uitlatingen van Nolte heeft zich een reeks senatoren uitgesproken. De joodse gemeenschap van Rome wil een formeel protest bij de senaat indienen.''

Ik vroeg me af waar de blijkbaar diepgewortelde behoefte vandaan komt om verwijten aan Israël kracht bij te zetten door de vergelijking met nazi-Duitsland. Hoe terecht zulke verwijten ook kunnen zijn, de vergelijking zelf is meer dan onterecht: een bewijs op zijn minst van onverwerkt verleden of op zijn ergst van een doorwoekerend antisemitisme. Hoeveel afkeer de steun van de Israëlische regering aan kolonisten in bezet Palestijns gebied en het militaire optreden tegen de Palestijnen ook oproept, het is van een geheel andere orde dan wat er in de periode van het Derde Rijk werd aangericht. Vermoedelijk hebben Noltes uitspraken minder te maken met kritiek op Israël dan met zijn visie op het Duitse verleden. Hij was het immers die in 1986 de zogeheten `Historikerstreit' over de aard van het Derde Rijk begon, volgens zijn critici met het doel de uniciteit van de shoah ter discussie te stellen en de omvang van het kwaad te relativeren.

Er zijn rond 4 en 5 mei in Nederland hier en daar weer pleidooien afgestoken om nu maar eens op te houden over het Derde Rijk en de Tweede Wereldoorlog. De `magistrale voordracht' van Nolte toont aan wat een onzin dat is. Zolang het bestaanbaar is dat in de Italiaanse Senaat een bekende Duitse historicus komt betogen dat Auschwitz het enige verschil is tussen Israël en de nazi's, verdienen de pogingen tot diskwalificatie van 4 en 5 mei als zinledige rituelen de scherpst mogelijke afkeuring.

Het heeft mij teleurgesteld dat een scherpzinnig en eminent geleerde als H.W. von der Dunk in de Volkskrant van 5 mei de zin en waarde van de dodenherdenking en de bevrijdingsdag ontkent. Hij heeft daarvoor wel enkele relevante argumenten. Verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog als moreel ijkpunt kunnen triviaal en goedkoop uitpakken, zoals elke historische analogie. Het kan een aangeleerde gebedsformule worden. Volgens Von der Dunk draagt het ritueel bij tot `slachtofferfixatie' en is de officiële herinnering aan de Tweede Wereldoorlog al lang versteend tot navelstaren. ,,Het argument om aan dat morele ijkpunt vast te houden als een eeuwige waarschuwing is ontkracht door het vervolg. Het heeft geen nieuwe verschrikkingen, noch de hernieuwde fascinatie door geweld kunnen beletten.''

Dat laatste is ontegenzeggelijk waar, het is zelfs een open deur. Maar volgt daaruit dat wij, omdat het geweld en de schending van de menselijke waardigheid zich blijven herhalen, afstand moeten doen van het door Von der Dunk tot prevelementje gereduceerde idee van een moreel ijkpunt? Geldt dan niet hetzelfde voor artikel 1 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, dat luidt: ,,Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren''? Ook dat is een moreel ijkpunt. Hetzelfde. Von der Dunk weet als geen ander wanneer en op grond van welke historische ervaring dit universele beginsel is vastgelegd. Is het waardeloos omdat het wordt geschonden?

De Duitse filosoof Rudiger Safranski vroeg zich in een beschouwing over de moraal af waarin nu eigenlijk de `waarde' zit van de menselijke waardigheid. Hij vreest voor de `contingentie' ervan. Contingentie van de menselijke waardigheid betekent: wat er is, zou er evengoed niet kunnen zijn. ,,Bij Hitler is immers gebleken dat het mogelijk is een bepaalde categorie mensen die waardigheid te ontzeggen en ze als ongedierte te verdelgen (...) Als de Duitse grondwet de waardigheid van de mens `onaantastbaar' noemt en dit nadrukkelijk niet aan een democratisch meerderheidsbesluit overlaat, is dat een poging in een geseculariseerde wereld een heilig taboe in te stellen.''

Daar heb je het ijkpunt. Een heilig taboe. Want, zegt Safranski, Hitler en de zijnen hebben de gruwelijke consequenties getrokken uit Nietzsches typering van de menselijke waardigheid als `begripshallucinatie'. Als je vóór de menselijke waardigheid kiest, kun je er ook tégen kiezen. En die keuze heeft Hitler gemaakt. ,,Hitler is de laatste ontremming van de moderne tijd. Sindsdien kan iedereen weten hoe bodemloos de menselijke werkelijkheid is: dat er alleen verplichtingen zijn als we ze laten gelden, dat beloften het leven alleen behoeden op voorwaarde dat ze gehouden worden; dat je van je leven alleen iets kunt verwachten als je bijval krijgt van anderen.''

De sleutelwoorden in deze opmerking zijn in dit verband: ,,Sindsdien kan iedereen weten...'' En die wetenschap moet bewaard, gekoesterd, herdacht, gevierd worden. Waar komt dat artikel in de Duitse grondwet over de `onaantastbaarheid' van de menselijke waardigheid vandaan? Waarom en wanneer is het ingevoerd? En artikel 1 van de Nederlandse grondwet? Staan deze heilige taboes voor holle, zinledige, rituele, goedkope, versteende herinneringen of refereren ze aan de werkelijkheid van de historische ervaring?

De lust om het `laatste taboe' te doorbreken en 4 en 5 mei op de mestvaalt te gooien is helemaal niet nieuw. Lees Jan Romeins essay `De Betekenis van Historische Gedenkdagen', uit, wat dacht u? 1954. Toen wilde de regering 5 mei al afschaffen. Bij die gelegenheid schreef Leo Vroman zijn beroemde gedicht `Vrede' (Kom vanavond met verhalen) en Gerrit Kouwenaar dichtte:

men moet denken aan de doden

omdat men nog mens is en leeft