De keuzevrijheid van ouders

In het debat over witte en zwarte scholen gaat het zelden over ouders. Dat is jammer, want zij maken de keuzes. En daaraan valt in een maatschappij waar de vrijheid van de consument als een van de hoogste idealen geldt, en in een onderwijsbestel waar kwaliteits- en smaakverschillen steeds belangrijker worden, niet te tornen, meent Robert Sikkes.

Ik woon in een oude wijk in een van de grote steden. Mijn dochters gaan naar de openbare school aan de overkant van de straat. Ach jee, denkt u misschien, een van de laatste politiek-correcte types die zijn kinderen bewust naar een zwarte school stuurt. Kan dit exemplaar misschien naar het museum?

Integendeel, het is een hagelwitte school. Niet zo verwonderlijk. Een negentiende-eeuwse buurt vol koopwoningen. Geen wijk waar de echte `upper class' woont, maar wel het `upper educated'-deel van de bevolking met een overwegend links stemgedrag. In weerwil van mooie politieke idealen peinst niemand erover om zijn kind naar zwarte scholen te sturen, die bovendien allemaal buiten de wijk staan. En ook als dat niet zo zou zijn, zouden vrijwel al deze goedwillende papa's en mama's toch kiezen voor de hagelwitte scholen een buurtje verderop. Weliswaar zegt vrijwel de gehele Nederlandse bevolking in enquêtes dat zij de scheiding tussen zwarte en witte scholen maatschappelijk ongewenst vindt – het bevordert immers segregatie tussen verschillende etnische bevolkingsgroepen en zet allochtone kinderen op een achterstand – maar ouders gedragen zich daar absoluut niet naar. De segregatie groeit namelijk alleen maar, het aantal zwarte scholen neemt jaar in jaar uit fors toe.

Want de keuze voor de school maken ouders. Op het schoolplein. Door om zich heen te kijken. En te denken. Zijn dit ouders met wie ik iets heb? Met wie ik wat kan delen over wereldpolitiek, winkelen, literatuur, films, tennis of opvoedingsproblemen? Zijn dit vriendjes waar mijn kinderen mee overweg kunnen? Valt er met deze ouders iets af te spreken voor opvang als ik moet werken?

Ouders, álle ouders, zoeken om het maar eens onaardig uit te drukken `ons-soort-ouders-scholen'. Op de ene ons-soort-ouders-school hoor je lid te zijn van de hockeyclub en in een zwarte BMW je kind af te leveren, op de andere is linksigheid in de mode en kom je juist op de Kronan-fiets het schoolplein op scheuren. Op de volgende ons-soort-ouders-school tref je andere ouders ook op zondag in de kerkbank en op weer een andere bij het vrijdaggebed in de moskee. Basisscholen zijn ons-soort-ouders-scholen. In het voortgezet onderwijs kiezen onze kinderen weer voor `ons-soort-kinderen-scholen'. Het grote dilemma van de huidige segregatie is of je daar met dwang en drang een einde aan zou willen, moeten of kunnen maken.

Van meet af aan is geprobeerd om de tweedeling in het onderwijs met allerlei maatregelen tegen te gaan. Magneetscholen, brede scholen, betere voorlichting aan allochtone ouders, verplichte spreiding. Maar na 25 jaar discussie en wanhopige maatregelen, kunnen we uiteindelijk toch maar één ding constateren. Het aantal zwarte scholen blijft groeien.

En dan begint het zwartepieten. Ligt dat aan het aannamebeleid van de scholen? Natuurlijk zijn er witte scholen, die aan allochtone ouders omfloerst uitleggen dat hun kind daar misschien niet écht welkom is. Natuurlijk zijn er zwarte scholen die witte ouders voorzichtig weer de deur uitwerken, omdat als er véél witte ouders komen met witte kinderen, zij volgend jaar afscheid kunnen nemen van een deel van hun team. Want een allochtoon kind telt dubbel, een wit kind maar voor één als het gaat om de subsidie.

Maar dat zijn uiteindelijk toch uitzonderingen. Segregatie naar etnische herkomst ontstaat omdat ouders zo dichtbij mogelijk een school kiezen waarvan ze de andere ouders en hun kinderen – autochtoon en allochtoon – kennen en herkennen. Zwarte scholen ontstaan omdat ouders kiezen uit het aanbod bij hen in de buurt. Of een buurt verderop als er geen ons-soort-ouders-school is. Het zijn vooralsnog echt de uitzonderingen, zoals in Deventer, waar Turkse ouders mede uit onvrede met de kwaliteit van de eigen school, gezamenlijk op zoek gingen naar een witter alternatief. Het leidt alleen tot een conclusie: ouders gaan op zoek naar een school van hun eigen keuze.

Omdat ze het proces van schoolkeuze door de ouders niet kunnen sturen, komen politici dan vervolgens met grote woorden en ingrijpende maatregelen aanzetten. Als het zwarte-scholenthema weer opduikt, wordt in één adem de vrijheid van onderwijs ter discussie gesteld. Het opheffen van het Nederlandse zuilensysteem maakt alle scholen toegankelijk en bereikbaar voor iedereen, zo is de suggestie aan de linker zijde van het politieke spectrum. Het was in de verkiezingsstrijd van januari 2003 zelfs een prominent thema.

Wethouders van de grote steden drongen stuk voor stuk aan op betere spreiding, dachten over convenanten en afspraken over verdeling, gooiden het idee van busjes nog eens in de lucht. D66-voorman Thom de Graaf pleitte vervolgens voor het afschaffen van de vrijheid van onderwijs. De VVD wilde alleen de groei van islamitische scholen afremmen, omdat juist die segregatiebevorderend zouden werken. PvdA-lijsttrekker Wouter Bos had het over een `acceptatieplicht' voor scholen, zodat de schoolbevolking een afspiegeling is van de bewoners van de wijk. GroenLinks-lijsttrekster Femke Halsema kwam tot de bizarre constructie dat de school in de buurt verplicht moest worden, nou ja, `vrijwillig verplicht', ténzij ouders motiveren waarom ze wat anders willen.

Het was allemaal holle verkiezingsretoriek. Steeds weer blijkt uit onderzoek dat de hoofdstromen – openbaar, katholiek en protestants-christelijk – hun maatschappelijke taak serieus opvatten en allochtonen niet de deur weigeren. Natuurlijk zitten er meer allochtonen op openbare scholen, maar dat komt omdat in de grote en middelgrote steden meer openbare scholen staan. Wel zijn de bijzonder uitgesproken richtingen (reformatorisch, gereformeerd, vrije scholen, schoolverenigingen) opmerkelijk wit als zij in een wijk met veel allochtonen staan. Maar laten we wel wezen: dat is het gevolg van het uitgesproken karakter van die scholen, soms versterkt door financiële drempels in de vorm van een relatief hoog schoolgeld waar politici hun vingers weer niet aan durven branden. De `ons-soort-ouders-ouders' lopen dat deel van het onderwijs bewust voorbij of maken er een uitgesproken keuze voor.

Maar het debat over de houdbaarheidsdatum van artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs grondwettelijk regelt, gaat voorbij aan de realiteit. Zo stuurt de overheid steeds meer op een bewuste schoolkeuze aan. Het openbaar maken van kwaliteitsverschillen tussen scholen – een uitstekende ontwikkeling – zorgt er natuurlijk wel voor dat een deel van de ouders op zoek gaat naar een misschien wel betere school. Een overheid die dat entameert met kwaliteitskaarten van scholen voor voortgezet onderwijs en rapporten over basisscholen, kan toch moeilijk daarna ouders dwingen om naar een bepaalde school te gaan.

Inmiddels is de vrijheid van onderwijs – formeel een zaak van de aanbieders – in de praktijk uitgegroeid tot een vrijheid van schoolkeuze. Iedere ingreep in die als impliciet recht verworven vrijheid om te kiezen voor een ons-soort-ouders-school zal op enorm verzet stuiten. De commentaren in de dagbladen met een linksig lezerspubliek spreken wat dat betreft duidelijke taal: blijf met je handen af van de vrijheid van schoolkeuze.

De Volkskrant schreef bijvoorbeeld in een commentaar over het `postcode-beleid' van de gemeente Amsterdam in april 2000 ,,[...] de keuzevrijheid in het openbaar onderwijs wordt zo feitelijk afgeschaft. Die vrijheid is een groot goed waar niet aan mag worden getornd.'' Trouw deed in mei 2002 in een commentaar een poging om de term `witte vlucht' taboe te verklaren. ,,De kern van de zaak is toch dat ouders een verantwoorde keuze moeten maken. Want in een verantwoordelijke samenleving dient men het zich tot een schande te rekenen dat de weloverwogen beslissingen van burgers worden samengevat in het negatieve begrip `witte vlucht'.''

Individuele allochtone ouders nemen de laatste tijd ook steeds vaker dergelijke `weloverwogen beslissingen' om buiten de eigen buurt een school te zoeken. Soms gestimuleerd door scholen, zoals NRC Handelsblad beschreef in een reportage waarin een directeur zegt: ,,Mijn advies aan leerlingen is: wegwezen uit deze buurt, zodra je kunt.'' Stel dat de overheid opeens besluit dat de buurtschool de enig mogelijke keuze is – het voorstel zou bij ambitieuze allochtone ouders totaal verkeerd vallen.

Alles bij elkaar is maar één conclusie mogelijk: het aanpakken van de vrije schoolkeuze is onhaalbaar. Natuurlijk moet de politiek niet zo maar de volkswil – en in dit geval de ouderwil – tot waarheid verheffen bij een ingewikkeld maatschappelijk proces. De politiek moet weerwerk bieden tegen maatschappelijk ongewenste ontwikkelingen. Maar wel zonder de werkelijkheid en andere maatschappelijke ontwikkelingen ter zijde te schuiven. Als de vrijheid van schoolkeuze voor het overgrote deel leidt tot een schoolkeuze binnen de eigen buurt, als zwarte en witte scholen dus in hoofdzaak een buurtopbouw-probleem zijn, dan leidt het ter discussie stellen van artikel 23 alleen maar af van de maatschappelijke realiteit. Bovendien is het in de hedendaagse samenleving, waar keuzevrijheid van de consument bijna als hoogste ideaal wordt ervaren, onmogelijk om de `maakbaarheid van de schoolkeuze' in te perken. De politieke partij die een einde wil maken aan de ons-soort-ouders-scholen, kan erop rekenen dat er binnen de kortste keren een tegenbeweging opstaat die omvangrijker is dan het Fortuynisme. Ik zeg niet alleen wat ik denk, maar kies de school die ik wil.

Hoogstens in de marge van de hoofdstroom van ons-soort-ouders-scholen, kan de politiek een iets evenwichtiger schoolkeuze nastreven. Daarvan moet echter geen groot effect worden verwacht. Consequent gedrag en daadkracht zijn daarbij wel een vereiste.

Alles begint bij een doordacht woningbouwbeleid. Steden die zwarte wijken laten ontstaan of voorbestaan, moeten niet raar opkijken dat daar zwarte scholen staan. Scholen zijn in eerste instantie niet meer dan een afspiegeling van de buurtbevolking. Een woningbouwbeleid dat getto's voorkomt, slim koop en huur mengt, kortom aantrekkelijke wijken neerzet, mag hopen op een gemengdere bevolking dan nu in sommige wijken het geval is.

In het proces van stadsverandering met een verjongende bevolking is het van belang met scholen in en direct buiten de buurt afspraken te maken over bijvoorbeeld dubbele wachtlijsten, waardoor in het basisonderwijs in de kleuterklassen een gemengde instroom plaatsvindt. Overigens wil dat niet zeggen dat de segregatie dan totaal verdwijnt, want verschillen in sociaal-economische positie, opleidingsniveau van ouders zijn hardnekkig. In de Amsterdamse staatsliedenbuurt zijn sommige scholen weer gemengder geworden ,,maar de kinderen gaan niet met elkaar om'', zo merkte een directeur op.

Steun groepen ouders die gezamenlijk hun kinderen op een bepaalde school willen aanmelden om deze van `kleur te laten verschieten'. Laat dat beleid niet incidenteel zijn, maar consequent. Zorg ervoor dat ouders dat weten en dat een school budget heeft om de voor de formatie lager scorende `witkoppies' te kunnen opvangen en toch de omvang van het team op peil te houden.

Kansen voor zulk beleid zijn er zeker: de afgelopen jaren was er sprake van een babyboom van tienduizenden, waardoor veel scholen met wachtlijsten zijn of zullen gaan werken. Deze bult bereikt nu langzamerhand het voortgezet onderwijs, wat betekent dat ook daar scholen met meer aanmeldingen dan plaatsen te maken krijgen. Dat vraagt om een actieve rol van gemeenten en schoolbesturen om gezamenlijk het onderwijsaanbod in een regio op de vraag af te stemmen.

Toch zullen er zwarte scholen blijven. Zorg er als bestuur voor dat het topscholen zijn, met uitstekende leerkrachten die hoge ambities met hun leerlingen nastreven. Steun scholen in die ambitie, in plaats van zwarte scholen gedwongen te laten fuseren met andere in een poging deze te `verwitten'. Laat scholen die met leegloop kampen niet verloederen, maar zet tijdig moderne en aantrekkelijke gebouwen op een uitgekiende plaats. Stimuleer ambitieuze allochtone leerlingen met beurzen, premies en prijzen.

Ga in het voortgezet onderwijs ook in plaats van fusies over tot schaalverkleining. In de steden is de afgelopen jaren de keuzemogelijkheid beperkt door fusies. Dat heeft mede geleid tot een versterking van de uittocht van witte leerlingen naar randgemeenten. In de Verenigde Staten wordt in steden als New York, Washington en Chicago juist gestreefd naar kleinere en tegelijk betere scholen. De eerste Urban Academies zorgen ervoor dat het openbaar onderwijs niet langer de afvalbak is, maar leerlingen met succes op een college aflevert. Als er meer te kiezen valt in de steden in Nederland, zullen leerlingen ook niet meer zo snel de gemeentegrens oversteken.

Robert Sikkes is hoofdredacteur van Het Onderwijsblad, het veertiendaags magazine van de Algemene Onderwijsbond.