Alleen onder de barbaren

Met verbijstering keken de intellectuelen naar de plunderaars van musea, bibliotheken en overheidsgebouwen in Bagdad. Maar ze hielden zich rustig, net zoals in de tijd onder Saddam. Een lerares durft zelfs haar huis niet te verlaten. `Wij intellectuelen maken op dit moment geen schijn van kans.'

Op de dag waarop Irak de dictatuur inruilde voor chaos en anarchie wist Imzahim Al-Jahori (59) instinctief waar hij moest zijn: op de rechtbank in de Kindi-wijk van Bagdad, waar hij als advocaat een groot deel van zijn leven heeft gepleit. ,,Hier stond ik'', zegt hij, terwijl hij het ijzerwerk openwrikt dat de toegang tot de rechtbank verspert. ,,Ik heb de mensen eerst nog gesmeekt. En toen ze niet wilden luisteren, heb ik mijn vuisten gebruikt. Het heeft allemaal niet geholpen.'' Op het ijzerwerk hangt een handgeschreven waarschuwing: `Gevaar. Clusterbommen!' ,,Dat hebben we zelf gedaan'', zegt Al-Jahori, ,,om nieuwe plunderaars af te schrikken.''

Niet dat er nog veel te beschermen valt. De rechtbank is zoals bijna elk officieel gebouw in de Iraakse hoofdstad grondig geplunderd en vervolgens in brand gestoken. De Irakezen zeggen graag dat de branden het werk zijn van de Koeweiti's, die zo de rekening willen vereffenen voor de plundering van hun eigen land in 1991. Maar Al-Jahori weet wel beter: hij heeft met eigen, lede ogen gezien hoe de `Ali Baba's', zoals de Iraakse plunderaars genoemd worden, zijn rechtbank in puin hebben geslagen. ,,Mijn zonen en ik hebben de branden zelf geblust, en we hebben de dossiers in veiligheid gebracht die nog niet verbrand waren. Het zijn de levens van duizenden mensen die hier in rook zijn opgegaan. En waarom?''

In een ander land zou Al-Jahori wellicht een mensenrechtenadvocaat zijn geweest, zegt hij. In Irak is hij nooit verder gekomen dan het verdedigen van Saddam Hussein toen die in 1965 in de gevangenis was beland na een machtsgreep door president Abdel Salam Aref tegen de invloed van de Ba'ath-partij. ,,Ik kende Saddam van de universiteit. Je zou kunnen zeggen dat hij een vriend van mij was'', geeft hij schoorvoetend toe. Tijdens Saddams twintig maanden gevangenschap kopieerde Al-Jahori vlijtig zijn collegenotities om hem te helpen afstuderen. ,,Maar later heeft Saddam al zijn vrienden uit die tijd verraden of laten vermoorden. De laatste keer dat ik geprobeerd heb hem te benaderen was in 1973. Een van zijn lijfwachten heeft zijn vuist in mijn gezicht geramd.''

Al-Jahori zegt dat hij ,,altijd een beetje een rebel is geweest. Tenminste, voor zover dat mogelijk was onder Saddam.'' Zo heeft hij zich altijd verzet tegen de machtsovername in de orde van advocaten door Uday Hussein, de beruchte zoon van Saddam. Maar nu hij in beginsel vrij is om de mensenrechtenadvocaat te worden die hij altijd had willen zijn, richt hij zijn pijlen niet op het ancien régime, maar juist op de Amerikanen. ,,Ik ben nu de mogelijkheid aan het bestuderen om de Verenigde Staten wettelijk verantwoordelijk te stellen voor de plunderingen en de brandstichtingen in Bagdad. Ik denk dat ik een zaak heb. De Amerikanen waren volgens het internationaal recht verplicht om burgers en eigendommen te beschermen. Wettelijk gesproken is het alsof zij het Nationaal Museum zelf hebben geplunderd.''

Vuisten

Een man die met zijn vuisten de rechtsorde verdedigt tegen een meute plunderaars terwijl Amerikanen staan toe te kijken – het is een beeld waarmee vele intellectuelen in Bagdad zich de voorbije weken identificeerden. Met verbijstering hebben ze gadegeslagen hoe de Irakezen van de ene op de andere dag veranderden. De terreur van Saddam maakte vrijwel zonder overgang plaats voor de terreur van de straat.

Voor iemand als S.A., een jonge vrouw die voor een privé-school in Bagdad werkt, betekenen vrijheid en democratie dat zij sinds de komst van de Amerikanen haar huis niet meer durft verlaten. ,,Wij, hoogopgeleide mensen, vinden het nu heel moeilijk om samen te leven met de barbaren'', zegt ze. ,,En het probleem met dit machtsvacuüm is dat de barbaren momenteel de enigen zijn die gehoord worden. Er zijn geen kranten, er is geen radio of tv behalve die van de Amerikanen en die van Iran. Er is alleen de straat. En deze mensen hebben niet het flauwste benul van wat vrijheid en democratie inhouden. Iemand zal hen die wapens moeten afpakken en daarna beetje bij beetje opleiden.''

S.A. is lid van de doopsgezinde Sabian Mandaean-sekte, die nog zo'n 15.000 aanhangers telt in Irak. Vele anderen zijn geëmigreerd naar Nederland of, zoals S.A.'s echtgenoot, naar Australië. Hij deed dat net voordat Australië in 1999 zijn immigratiewetgeving aanscherpte, waardoor S.A. alleen in Bagdad achterbleef met haar bejaarde moeder en haar tienerzoon, M. De 17-jarige M. is wellicht de eerste en enige techno-dj van Bagdad. M. heeft onder de naam Tonicollision al drie cd's in elkaar gezet, maar de markt voor technomuziek is in Irak niet groot. ,,Drie vrienden, meer niet. Ik vrees dat de meeste mensen hier, als ze al naar westerse muziek luisteren, eerder heavy metal-fans zijn. Het is het soort muziek dat agressieve gevoelens losmaakt.''

Dit is het andere beeld van de intellectuelen in Bagdad: dat van een bedreigde soort, die zich verschanst in hun huizen, en zich wanhopig vastklampt aan een levensstijl die in Irak niet meer heeft bestaan sinds de jaren '70. Toen gold Irak nog als een verlicht Arabisch land. Saddam had in die tijd een bijzonder efficiënt alfabetiseringsproject: wie niet kon lezen of schrijven ging de gevangenis in. Irak had ook de eerste vrouwelijke minister in de Arabische wereld, en in 1980 ging 95 procent van de Iraakse vrouwen naar school. Maar de reeks desastreuze militaire avonturen, de repressie, de VN-sancties, en Saddams omhelzing van de islam in de laatste jaren van zijn bewind hebben al deze verworvenheden ongedaan gemaakt.

Het Irak dat nu gevraagd wordt om de vrijheid en de democratie te omarmen, is een land dat grotendeels is ontdaan van zijn intellectuelen. Ze zijn in Bagdad even vluchtig als de slogan `Partij der Iraakse Intellectuelen', die op tal van muren en spandoeken is verschenen, maar waarvan niemand weet wie of wat erachter zit. Ze zijn zeker niet te vinden op het letterenfaculteit van de universiteit van Bagdad, want die was vorige week overgenomen door met kalasjnikovs gewapende studenten van de Hawza, de sjiitische school uit Najaf. ,,Komt u maandag eens terug'', zeggen ze, ,,dan beginnen we hier met religieus onderricht.''

De meeste Iraakse intellectuelen wonen niet eens in Irak: ze zijn al jaren geleden geëmigreerd naar de Verenigde Staten, Australië of Europa. En het ziet er voorlopig niet naar uit dat de ballingen de situatie voldoende vertrouwen om in groten getale terug te keren. Misschien is het daarom dat de resterende intellectuelen in Bagdad van alle bevolkingsgroepen nog het meeste geduld willen opbrengen voor het ontluiken van een democratisch bestuur onder de Amerikaanse bezetting.

,,Het spijt mij dat ik het u moet zeggen, maar wij zijn in Irak nog niet klaar voor de democratie'', zegt T.T., de directeur van de privé-school waar S.A. werkt. ,,Het ergste dat Jay Garner op dit moment kan doen is luisteren naar de Irakezen. Vroege verkiezingen zullen gegarandeerd een overwinning opleveren van de stamhoofden en de radicale religieuzen. Wij intellectuelen maken op dit moment geen schijn van kans. Daarvoor moet eerst aan een aantal basisbehoeften voldaan worden. Er moet veiligheid zijn, stroom, en andere tastbare resultaten die de mensen op hun gemak stellen. Pas dan heeft de democratie in Irak een kans van slagen.''

Dat T.T., S.A. en vele andere intellectuelen zich niet op hun gemak voelen in dit nieuwe Irak blijkt ook uit hun weigering hun naam voluit in de krant te laten zetten. Vanuit westers oogpunt is het een uitgemaakte zaak dat het regime van Saddam Hussein verleden tijd is. Maar niet voor de Irakezen. Vorige week nog deed in Bagdad het hardnekkige gerucht de ronde dat Saddam zich zou wreken door op maandag 28 april, zijn verjaardag, een biologische raket af te vuren op Bagdad. Een man als T.T. is niet zo bijgelovig of geneigd tot samenzweringstheorieën. Maar ook hij is er rotsvast van overtuigd dat het regime zijn laatste adem nog niet heeft uitgeblazen. ,,Het is niet dat ik bang ben voor Saddam zelf. En militair gesproken is hij natuurlijk verslagen. Maar zijn partij- en veiligheidsapparaat is intact gebleven. Deze mensen zijn gewapend en georganiseerd, en hun doel is het Amerikaanse experiment met democratie in Irak te laten mislukken. Ze zijn nu ondergedoken en wachten op hun kans. Daarom zijn wij nog altijd bang om onze nek uit te steken.''

Overleven

Het kan ook zijn dat intellectuelen zoals T.T., die in Irak zijn gebleven, zo lang hun nek niet hebben uitgestoken dat ze het niet meer kunnen. Want innere Emigration was de enige manier om onder Saddam als intellectueel te overleven. Gezien de kracht van zijn overtuigingen kan men veronderstellen dat T.T.'s carrière een andere wending zou hebben genomen als hij, zoals veel van zijn vrienden, was geëmigreerd. ,,Ik heb het niet gedaan omdat ik een gezin had.'' T.T., die literatuur studeerde aan de universiteit van Lancaster in Groot-Brittannië, beperkte zich het laatste decennium tot het geven van lessen Engels aan vooruitziende Irakezen, een betrekkelijk risicoloze activiteit onder Saddam Hussein. ,,Ik vergelijk onze situatie met die van Thomas More onder Hendrik VIII. Je probeert je te houden aan de wetten van het land, en je vermijdt alles wat ongewenste aandacht zou kunnen trekken. Het is geen gemakkelijke oefening: je veiligheid verzekeren en tegelijkertijd in het reine blijven met je eigen geweten. Het is professioneel en pyschologisch een pijnlijke ervaring geweest.''

Elke intellectueel had zo zijn eigen manier om te overleven. Hoessein Emin is een gezicht dat elke Irakees kent. De 78-jarige hoogleraar geschiedenis heeft sinds 1958 een wekelijkse uitzending op televisie waarin hij vertelt over het verleden van Irak. ,,Mijn manier om te overleven was om mij te beperken tot de Abassi-periode van de Iraakse geschiedenis. Mijn specialiteit was het onderwijssysteem onder Abbas'', zegt Emin. Omdat Abbas 1300 jaar voor Saddam leefde, was het gevaar op een aanvaring met het regime klein.

Het huis van Hoessein Emin staat in de Wijk der Intellectuelen. Die wordt zo genoemd omdat de meeste mensen er een universitair diploma hebben. Ooit wilde dat ook zeggen dat men welvarend was, en Emins vrij riante woning herinnert aan de tijd van voor de VN-sancties, toen het nog goed leven was in Bagdad. Als Emins huis vandaag nog een zekere luxe uitstraalt, is dat te danken aan het feit dat zijn vrouw uit een rijke familie stamt: zij bezat ooit driehonderd huizen, die ze de voorbije twaalf jaar één voor één heeft verkocht om hun levensstijl te kunnen volhouden.

Emin was een van de Iraakse intellectuelen die eind vorige maand werden ontvangen door de Amerikaanse bewindvoerder Jay Garner. ,,Ik heb hem gezegd dat hij zich in de eerste plaats moet concentreren op veiligheid, stabiliteit, het herstellen van de stroomvoorziening, het heropenen van de scholen... We moeten meneer Garner een beetje tijd gunnen. Het is onredelijk dat mensen nu al zeggen dat de Amerikanen moeten opkrassen. Het Saddam-tijdperk heeft meer dan een kwart eeuw geduurd. Ik denk dat we gerust nog een paar maanden langer kunnen wachten op een democratisch zelfbestuur.''

Ook Emin is bang dat Irak intellectueel niet klaar is om te beginnen aan het democratisch project. ,,Laten we niet vergeten dat dit een land is waar de minister van Onderwijs de lagere school niet heeft afgemaakt.'' Volgens hem moeten de Amerikanen zich hoeden voor Irakezen die met universitaire diploma's zwaaien. ,,Onder Saddam kreeg je een diploma omdat je goeie connecties had met het regime, niet omdat je goeie punten behaalde. Er lopen in Irak een hoop mensen rond met diploma's die ze niet verdienen. Echte intellectuelen zijn daardoor gemarginaliseerd geraakt. Ze hebben nooit hun rechtmatige plaats gekregen in de Iraakse samenleving.''

Dit is natuurlijk niet gek in een land waar elke schooldag begon met het scanderen van `Lang leve Saddam Hussein!'. Mouna Hadi (22) herinnert zich nog goed hoe ze op de middelbare school, en daarna opnieuw aan de universiteit, twee uur per week verplicht Saddam-verering kreeg. De les Al-Thaqafa Al Qawmia (Islamitische Cultuur en Ideologie) begon met Babylon en eindigde met Al-Fikr Al-Kaid, de ideologie van de leider. ,,Het waren tweehonderd pagina's met wapenfeiten en speeches van Saddam die we uit het hoofd moesten leren'', zegt Mouna. Zij had de pech dat het regime zojuist de laatste hand had gelegd aan een Engelse vertaling, toen zij aan haar opleiding voor lerares Engels begon. ,,Daardoor kan ik de heldendaden van Saddam nu zowel in het Arabisch als in het Engels opzeggen'', zegt ze lachend.

Mouna's vader, Ridha Hadi (53), had meer geluk. Als leraar Engels aan de middelbare school gebruikte hij jaren De Koopman van Venetië als handboek. ,,Dit schooljaar wilde het regime Shakespeare vervangen door de Engelse vertaling van De Langste Dagen. Maar ze hebben dat niet op tijd klaar gekregen.'' De Langste Dagen is de hagiografie van Saddam die ook de basis vormde voor de gelijknamige soap op de Iraakse televisie.

Toch zijn de Irakezen niet gehersenspoeld door boeken als De Langste Dagen. ,,Iedereen zat zeer tegen zijn zin in de Saddam-les'', zegt Mouna. ,,Zowel de leerlingen als de leerkrachten. Op mijn school nam de lerares gewoon de afwezigheden op en kreeg iedereen automatisch een voldoende.'' Want je moest wel elk jaar in het `Saddam-examen' slagen, wilde je het jaar niet moeten overdoen.

Het echte onderricht, zegt Ridha Hadi, gebeurde thuis, achter gesloten deuren. ,,Vergis je niet, de beelden die jullie in het Westen op televisie hebben gezien van pro-Saddam-demonstraties – dat waren allemaal mensen die daartoe gedwongen waren of die ervoor betaald werden. Wij kenden de waarheid wel. Alleen konden we haar niet hardop zeggen, we moesten haar fluisteren.''

Op de eerste schooldag op de school waar Hadi lesgeeft blijkt al dat fluisteren zijn vruchten te hebben afgeworpen. De I Huzarain-school ligt in de Wijk van de Kennis, zo genoemd omdat er veel leraren wonen. De leerlingen en leraren zijn al begonnen met het verwijderen van de Saddam-tekeningen op de muren. Straks moeten ze ook een nieuwe naam voor de school verzinnen want `I Huzarain' staat voor `1 juni', de dag in 1972 waarop Saddam Hussein de Iraakse olie-industrie nationaliseerde. ,,We weten heel goed dat men ons al die jaren heeft voorgelogen'', zegt ook Hoessein Ala Moussa (18). ,,Iedereen wist het, de leerlingen en de leerkrachten. Maar zolang de partij aan de macht was, viel er niets tegen te beginnen.''

Isolatie

Veel meer dan het Saddamistische verleden is het echter de toekomst die de achttienjarigen van Bagdad bezighoudt. Ala Moussa: ,,De Amerikanen zeggen dat wij nu vrij zijn. Maar wat betekent dat: vrijheid? Als we om ons heen kijken, zien we alleen maar chaos. Als de Amerikanen niet snel zichtbare verbeteringen aanbrengen, vrees ik dat steeds meer mensen gaan zeggen dat het nog beter was in de tijd van Saddam.'' Zijn vriend Natheer Al-Hakim valt hem bij: ,,Ja, de Amerikanen hebben onze olie nu. Wat krijgen wij terug? It's crap.'' Wat hij de Amerikanen vooral kwalijk neemt, zegt Ala Moussa, ,,is dat ze mijn hoofd op hol hebben gebracht. Ze hebben ons hoop gegeven, en als je hoop hebt, dan begin je naar allerlei dingen te verlangen waar je vroeger nooit aan dacht. Nu heb ik al die verlangens, maar de Amerikanen komen hun beloften niet na.''

Net als de meeste Irakezen hebben deze jongeren een honger naar informatie over zichzelf die door de Amerikanen op geen enkele manier gestild wordt. Je ziet het aan de zelfgemaakte satellietschotels die op elke straathoek te koop zijn – onder Saddam stond er gevangenisstraf op het bezit van een schotelantenne. Bij gebrek aan eigen media is afstemmen op BBC, CNN of Al-Jazira voor de Irakezen de enige manier om iets te weten te komen over wat er met hun land aan het gebeuren is. Zelfs onder Saddam waren ze nooit zo geïsoleerd. Toen konden ze tenminste nog telefoneren. Nu moeten ze daarvoor in de rij staan. Ze kunnen een paar minuten bellen op een Thuraya-satelliettelefoon – gratis bij een bereidwillige journalist of tegen 10 dollar per minuut bij een van de handige zakenlieden die in het gat van de communicatiemarkt zijn gesprongen. De enige andere vorm van contact met de buitenwereld wordt heel slim geleverd door Al-Jazira: elke dag stelt de Arabische satellietzender op straat voor het Palestina-hotel zendtijd ter beschikking aan Irakezen die hun familie in het buitenland willen laten weten dat ze nog in leven zijn. Nee, dan was het onder Saddam echt wel beter: toen hadden ze zelfs internet. ,,Goed, het regime had veel websites afgesloten'', zegt Ala Moussa. ,,We kregen voortdurend access denied op het scherm in het internetcafé. Maar nu hebben we helemaal geen access meer.''

In dit Irak is het niet verwonderlijk dat ,,de intellectuelen zich in hun huizen hebben verschanst, terwijl de barbaren op straat zijn'', zoals onderwijzer Ridha Hadi zegt. En wanneer Iraakse intellectuelen het over de `barbaren' hebben, dan bedoelen ze doorgaans de Iraakse sjiieten, en de manier waarop zij zich vorige maand met miljoenen tegelijk hebben gemanifesteerd op het religieuze Ashura-feest in Kerbala. Het maakt niet uit dat Osama bin Laden een soenniet is, en dat er volgens sommigen een veel groter gevaar uitgaat van de wahabieten, die zich in Irak aan het nestelen zijn in het kielzog van de Saoedische humanitaire hulp. Nu zijn het de sjiieten die, zeker in westerse ogen, het `islamitische gevaar' vertegenwoordigen zoals we dat kennen uit Samuel P. Huntingtons The Clash of Civilizations (1993).

Maar volgens Samir Al Soefi (63) moet het Westen zich vooral niet blindstaren op de sjiieten. ,,Iedereen praat over de sjiieten alsof zij een monolithisch blok vormen. Men vergeet dat er onder de sjiieten van alles zit: communisten, ba'athisten, liberalen, criminelen en eerlijke mensen.'' Al Soefi is geen beroepsintellectueel: hij is een importeur-exporteur die jaren in Spanje heeft doorgebracht. Maar hij kent zijn Huntington. ,,Het boek was verboden onder Saddam, maar een vriend uit Kairo heeft het voor mij binnengesmokkeld.'' Alleen ziet hij de `clash' niet als een confrontatie tussen het Westen en de islam, maar eerder tussen het Europese en het Amerikaanse model.

,,De Irakezen moeten heel goed beseffen dat wij een ongelooflijk cadeau hebben gekregen van de Amerikanen. Niemand anders had de moed en de politieke wil om Saddam te verdrijven. De Europeanen niet, en onze Arabische broeders al helemaal niet. Want die stonden altijd aan de kant van het Iraakse regime, niet van het Iraakse volk.'' Al Soefi denkt dat de religieuze onderstromen uiteindelijk plaats zullen maken voor het besef dat de gemiddelde Irakees zich maar het best kan schikken in de Amerikaanse plannen voor Irak. ,,De Amerikanen willen van Irak een modelland maken voor de rest van de Arabische wereld, een land dat meedoet met de liberalisering van de wereldhandel en waar de religieuze en nationalistische extremen naar de marge zijn verdrongen. Als je het mij vraagt, valt dit precies samen met de verzuchtingen van de meeste Irakezen.'' Maar ook van Al Soefi mag het nog best even duren vooraleer Irak een modeldemocratie is. ,,Dat ze er eerst maar eens voor zorgen dat we weer elektriciteit hebben. We kunnen best nog een nachtje slapen zonder democratische regering. Maar zonder airconditioning slapen, dat is veel lastiger.''