Zuster zonder glimlach

In een donker hoekje van de Vlaamse literatuur, ver van het zoeklicht op Hugo Claus en Erwin Mortier, verschuilt zich Erik Vlaminck (Kapellen, 1954). Al meer dan tien jaar werkt hij aan een even groots opgezet als bescheiden uitgevoerd project: een zesdelige romancyclus over een Vlaamse familie in de twintigste eeuw. Vlaminck bouwt geen kathedralen: de vijf inmiddels verschenen delen beslaan tussen de 100 en 170 bladzijden elk. Hoewel de kwaliteit van zijn kapelletjes niet onderdoet voor die van Erwin Mortier (met wie hij behalve zijn onderwerpen ook de sensitieve stijl deelt), heeft hij over aandacht bepaald te klagen. Het Elsschottiaanse portret van een huwelijk Quatertemperdagen (1992) kreeg een handjevol recensies, Wolven huilen (1994) haalde net de longlist van de Libris-prijs; maar terwijl de romans van Mortier over de toonbank vlogen, bleven Stanny - Een stil leven (1996), De portrettentrekker (1998) en Houten schoenen (2000) in Nederland nagenoeg onopgemerkt.

Vlaminck schrijft documentaire romans, die merendeels hun oorsprong vinden in de levensverhalen van zijn familieleden. Zo onderneemt de schrijver in Wolven huilen een zoektocht naar een oudoom die naar Canada is gevlucht voor zijn oorlogsverleden; terwijl hij in Houten schoenen met behulp van kleine beetjes informatie en een flinke dosis fictie de ontberingen reconstrueert die zijn vader in nazi-Duitsland heeft moeten doorstaan. En ook Vlamincks nieuwe novelle Angélique, die overigens geen onderdeel uitmaakt van de cyclus, komt volgens een citaat van de schrijver op de binnenflap voort uit familiefolklore: de `mysterieuze vrouw die, toen ik acht of negen jaar oud was, een kamer huurde in ons ouderlijk huis' en die later een uitgetreden non geweest bleek te zijn.

In Angélique verzint Vlaminck voor deze vrouw een verleden, waarin twee belangrijke facetten van de twintigste-eeuwse Belgische geschiedenis – het verstikkende katholicisme en de dekolonisatie van de Congo – een fatale verbinding met elkaar aangaan. Vanaf de proloog verplaatst hij zich in Elza, voorheen Zuster Marie-Angélique, die een leven leidt als zwerfster met een winkelwagentje, maar na een crisis terechtkomt in een vrouwenopvanghuis. Daar schrijft ze, net als de titelheld uit Saul Bellows Herzog, brieven aan de hoofdrolspelers uit haar verleden, en voert ze moeizame gesprekjes met een dominante maatschappelijk werkster en een hoogzwangere zwarte vrouw. Haar gedachten komen voortdurend terug bij de trauma's van haar leven, die langzaam aan de lezer onthuld worden: haar uitzending als jonge missiezuster naar Congo anno 1960 en het seksueel misbruik dat de priesters daar van haar maakten (`Hoe wordt een doodzonde een dagelijkse zonde? / Door ze alle dagen te doen'), maar ook de verkrachting door Congolese rebellen die ze overleefde, en de hardvochtige manier waarop het katholieke gezag en haar ouders daarop reageerden.

Het is veel leed voor een dun boek – en het wordt in het opvanghuis alleen maar erger. Maar hoe hartverscheurend ook, bij Vlaminck wordt het vergooide leven van de gewezen zuster niet larmoyant. Dat komt door de stem die hij aan zijn hoofdpersoon gaf. De cynische, wereldwijze, doodongelukkige Elza becommentarieert de wereld in korte fragmentjes, elk bestaand uit drie tot tien staccato zinnen die vaak met `Ik' of `En' beginnen en daardoor een indringend ritme krijgen:

`Ik heb mijn broer Robert een brief geschreven.

Is iemand die brieven schrijft aan mensen die allang dood zijn, gek?

Ik schrijf brieven aan dode mensen. Elke dag één, soms zelfs twee.

En ik breng ze naar de brievenbus. In een dichtgelikte envelop en met een postzegel erop.

Dat kost mij nog geld ook.'

Lees dit soort passages hardop en het is alsof je luistert naar het literaire equivalent van een bluessong – iets wat nog versterkt wordt door de plasticiteit van Elza's taal, vol Vlaamse woorden als `papklas', `smoutebollen' en `wichtengezicht', en tot de verbeelding sprekend idioom als: `ik wist met mezelf geen blijf' en `ze bleef me de pieren uit de neus vragen.'

Stem en stof van Angélique hadden een dikke roman gerechtvaardigd. Vlaminck kon het af in minder dan zestig bladzijden. Zijn novelle is de ideale bonustrack bij een oeuvre dat (her)lezing én een groot publiek verdient.

Erik Vlaminck: Angélique. Wereldbibliotheek, 64 blz. €9,90