Ze wreven zand in zijn haar

Paul Gellings en Jan van Mersbergen debuteerden allebei zo'n anderhalf jaar geleden met romans waarin een zekere belofte school, maar die ook niet helemaal geslaagd waren. Gellings' Witte paarden was een adequaat verteld verhaal over een groep drinkende provinciale kunstenaars, dat maar niet verrassend wilde worden; Van Mersbergens De grasbijter was een ingetogen relaas van een eenzame boerenjongen die zoveel moeite had om zich te uiten dat er uiteindelijk helemaal niets noemenswaardigs meer voorviel in het boek.

Gellings verplaatst in zijn tweede roman Zuidelijke wandelweg het decor naar de grote stad, naar de Amsterdamse Rivierenbuurt. Daar groeide Anne Frank op; een groot deel van de joodse bevolking werd er gedeporteerd. De hoofdpersoon, een schooljongen begin jaren zestig, heeft er nog nachtmerries over: `In die bocht, ter hoogte van kapsalon Keizer, verschijnen Duitse uniformen. In gesloten gelid. Grauw als de hemel en de gevels. Over de keien gedreun van vooruitgestoken laarzen'. Zijn tante praat onophoudelijk over het kamp.

Het verhaal wordt wordt verteld vanuit het perspectief van de terugblikkende hoofdpersoon, een tekenaar die nu aan de IJssel woont. Hij keert voor een tekenopdracht terug naar Amsterdam-Zuid. Zijn herinneringen zijn akelig: `Ze noemden mij ,,schele'', wreven zand in mijn haar, trokken mij de dijk op en schopten of sleurden mij weer naar beneden. Ook wisten ze mij er vrij snel van te overtuigen dat alles mijn eigen schuld was.' Zijn leraren beschermen hem niet. Die schelden en slaan dat het een lieve lust is. Zijn enige vriend is een jongen die nog méér wordt gepest, mede omdat hij stinkt. In de familie van deze Leonard Grünewald heeft verder niet benoemd onheil diepe sporen nagelaten: zijn vader maakt de hele dag kruiswoordraadsels, zonder op of om te kijken. Leonard vergrijpt zich met regelmaat aan zijn jongere zusje.

Ook de hoofdpersoon gaat over de schreef. Hij doet een poging tot joyriding die een kip het leven kost en hij steekt een verlaten auto in brand. Aan het eind van het boek verhuist hij naar `de boeren', zoals een leraar het noemt.

De setting van Zuidelijke Wandelweg is niet slecht – een relatief jonge buurt met een pijnlijk verleden – en ook met de combinatie van de terreur van de klasgenoten en de verhalen over de nazi-tijd, zou iets moois te maken moeten zijn. Het lukt Gellings echter niet. Hij slaagt er niet in iets aan zijn opzet toe te voegen: de personages blijven vlak, net als zijn zinnen en de auteur heeft moeite clichés te ontwijken. Gellings doet eigenlijk steeds precies wat je al zag aankomen. Als er een mooie verpleegster ten tonele verschijnt, krijgt haar gezicht de uitgesleten aanduidingen `ovaal' en `olijfkleurig' mee. Een bezoek aan het Merwedeplein leidt tot een sentimentele observatie: `Wie van hen heeft Anne Frank hier nog zien spelen, met haar houten stepje?'

Waar bij Gellings de zwakke kanten van zijn debuut ook nadrukkelijk aanwezig zijn in zijn tweede boek, is Jan van Mersbergens tweede wél beter dan zijn debuut. De macht over het stuur speelt zich af in hetzelfde rivierenlandschap als zijn eersteling De grasbijter. Hier heeft zich echter aan het begin van het verhaal al de actie voltrokken die zijn debuut node miste. `Zeven dagen na het ongeluk van Leon zag hij de kermiswagens het dorp inrijden'. Die `hij' is Ronnie. Ronnie werkt in de bouw en is autocrosser, een hobby waarbij hij zijn vriend Leon heeft zien verongelukken. De dorpsgemeenschap houdt hem en twee andere autovrienden verantwoordelijk. De jongens kunnen niet overweg met hun verdriet. De enige remedie die ze bedenken is om dan maar zonder Leon over de dijken te crossen. Ronnie houdt zich vast aan zijn status van dorpsbink, maar die wordt hem betwist door een kermisklant in een chique gele auto (`Heb jij ooit wel eens een fatsoenlijke wagen gezien die geel was?'). Bovendien wil hij zijn jongere zusje beschermen, juist op het moment dat zij het echte leven aan het ontdekken is.

Ronnies worsteling met rouw en jaloezie levert mooie scènes op, zoals die waarin de held op het autokerkhof een souvenir van de wagen van zijn vriend Leon gaat halen, een illegale daad die nadrukkelijk wordt gedoogd door de autosloper, of in de bijna woordeloze patserdialoogjes tussen Ronnie en de eigenaar van de gele auto: `Nee, die kleur. Daar is ie vast niet mee geboren'.

Net als in De grasbijter leidt de opgebouwde spanning niet tot grote daden van destructie, maar waar dat in Van Mersbergens debuut een gevoel van anticlimax opleverde, komt in De macht over het stuur de verbale en uiteindelijk ook fysieke onmacht van Ronnie en zijn vrienden mooi naar voren. Dat komt door het contrast met de gewelddadigheid van hun auto's en ook hun drankgebruik. De jongens hebben hun eigenwaarde jarenlang ontleend aan de enige macht die ze hadden (die over het stuur), maar die blijkt plotseling niet meer toereikend en leidt zelfs tot de dood. Ze kunnen kiezen tussen machteloze agressie of machteloos zwijgen. Voor Ronnie wordt alles nog pijnlijker omdat zijn vredige uitlaatklep – zorgen voor zijn zusje – hem even hard met zijn machteloosheid confronteert, en in één moeite door met zijn eenzaamheid.

De hoofdpersoon van De grasbijter was zo eenzaam en machteloos dat hij ongrijpbaar werd. Doordat Ronnie in De macht over het stuur middenin een gemeenschap op zijn gezicht gaat, komt de klap ook bij de lezer extra hard aan. Van Mersbergen is zijn vorm aan het vinden.

Paul Gellings: Zuidelijke wandelweg. De Geus, 160 blz. €16,–

Jan van Mersbergen: De macht over het stuur. Cossee, 176 blz. €18,90