We zijn vergeten op te groeien

BOGOTÁ. Allereerst is daar: Jan de Roos. Oud-ambassadeur, amateur-musicus, voorzitter van het comité Gastland Nederland op de boekenbeurs van Bogotá. Hij heeft een baard en blijkt op het Vossiusgymnasium te hebben gezeten. Gespreksstof voor uren.

Wegens negatieve reisadviezen valt het aantal schrijvers tegen. Moses Isegawa, die nog een kleine maar belangrijke rol in dit verhaal zal vervullen, Carolina Trujillo en ik.

Door een vergissing arriveer ik te laat. Op de ambassade denkt men aan een ontvoering, een miljoenenindustrie in Colombia, zeg maar de Hoogovens van dit land.

Wanneer ik wel arriveer, blijkt Sylvia van de ambassade nergens te bekennen. Na tien minuten geef ik het op, de keuze tussen eindeloos wachten en beroving is niet moeilijk.

Ik volg een man die mij aansprak met het woord: ,,taxi?''

Hij ontfermt zich over mijn koffer en snelwandelt naar het donkere gedeelte van het parkeerterrein. Hoe donkerder het parkeerterrein wordt, hoe groter mijn twijfel. Ergens moet je aan dood, maar hieraan?

Bovendien, had Cees Nooteboom mij niet in Parijs voorspeld: ,,Dan denk je dat je dood bent, maar dan zit je de rest van je leven in een rolstoel.''

Daarom is Nooteboom niet gekomen.

,,Nee'', roep ik, ,,ik wil toch geen taxi.''

De man zet mijn koffer neer, haalt wel vijf verschillende identiteitsbewijzen uit zijn zak en begint aan een litanie in het Spaans. Moeten de goeden onder de slechten lijden?

Ik geef toe. Voorin de auto zit een jongetje van een jaar of elf, zijn zoon. Een geruststelling, maar ik weet dat huurmoordenaars van elf jaar in dit land hun vak verstaan. De auto ruikt naar opgewarmd eten.

Vanwege de hoogte van Bogotá bekruipt mij sluimerende hoofdpijn. We passeren een ongeluk.

In het hotel nestel ik mij in een smal bed.

Dan gaat de telefoon. Sylvia. Ze meende dat ik weer niet was komen opdagen. Teleurstelling klinkt in haar stem dat ik op eigen kracht het hotel heb weten te bereiken zonder met de dood te zijn bedreigd.

Er blijken twee gitaristen uit Nederland te zijn. En een pianist die van radio houdt. De armoede in India heeft zijn leven veranderd. Hoor ik tijdens een lunch in de bergen met mooi uitzicht. Ik wou dat ik van de armoede in Manila hetzelfde kon zeggen, maar nee, weer niet veranderd.

Ten tweede: Claudia.

Geheel in het zwart gekleed. Klein. Journaliste van beroep, in ieder geval tot voor kort.

We spreken nu over mijn derde dag hier. Na afloop van een tamelijk absurde lezing begint Claudia een gesprek met mij over Colombiaanse schrijvers en de vloek van het magisch-realisme.

Die vloek vraagt om nadere kennismaking. Hoe negatiever het reisadvies hoe meer men contact dient te zoeken met de lokale bevolking.

De mannen met machinegeweren voor het hotel ogen als folklore. Het gesprek over de vloek van het magisch-realisme ontaardt in een gesprek over salsa.

Daar valt weinig over te zeggen. Vooral dit: ,,Ik kan het niet.''

Claudia, die vreest voor haar toekomst, want ze is ontslagen of dreigt ontslagen te worden, staat op salsalessen. We zitten ruim een uur in een taxi, maar danspaleizen zijn op zondagavond gesloten.

Claudia zegt: ,,Bij mij thuis kunnen we ook salsa dansen, maar ik heb niets te drinken.''

Ah, denk ik, nu word ik gekidnapt. Het verstandigste zou zijn: naar het hotel terugkeren. Maar ik heb een verplichting. Ik moet de inheemse bevolking bestuderen, ook al lijkt die bevolking erg op die van Madrid, New York, São Paulo.

Het zijn vooral de overeenkomsten die in het oog springen. De verschillen zijn in toeristengidsen te vinden en folkloristische kloosters met nabijgelegen restaurant.

Het huis van Claudia: eenvoudig maar welriekend. Een groot altaar met een verzameling heiligen. Behalve water is er ook kruidenthee. De kruiden zijn door Claudia geplukt. Zoiets weiger je niet.

Ze staat er op gedichten van Neruda in het Spaans voor te lezen. Even is daar de twijfel: Wat doe ik hier? Is de waanzin het aan het winnen, valt dit nog binnen mijn taakomschrijving?

Hand in hand met Neruda op de bank. Een halve seconde betast ik haar borst en mompel dat het magisch-realisme overwonnen zal worden, dan maak ik mij los. Een veilige taxi bellen blijkt niet eenvoudig.

Het duurt een uur en al die tijd danst Claudia salsa, zachtjes want haar huisgenoten kunnen wakker worden.

Ze is een grote fan van Paul Auster, misschien wel de grootste. Pas bij het afscheid dringt het tot me door: ik kwam Paul Auster vervangen.

Vervolgens is daar: Teunis Kamper. Ambassadeur. Over wie ik niets te zeggen heb. Ik geef het woord aan Moses Isegawa, die na de officiële lunch verklaart: ,,Hoe kan een ambassadeur zo'n vreselijk slechte kok hebben, hoe durven ze ons dit voor te zetten?''

En tot slot: Pablo en Diana.

Ik zou met Santagio en Esteban, twee jonge uitgevers, naar een museum gaan, maar die konden niet. Daarom stuurden ze Pablo en Diana.

Pablo spreekt nauwelijks Engels en Diana kijkt ontevreden.

,,We moeten je interviewen'', zegt ze. En een paar passen verder: ,,Je wilt toch niet naar een saai museum.''

Ik stel haar gerust.

Wegens de ijle lucht raken we buiten adem bij het beklimmen van een berg.

,,We kennen Santiago en Esteban van de universiteit'', vertelt Diana. ,,Maar wij zijn vergeten op te groeien, daarom hebben we alle tijd en kunnen we je rondleiden.''

De oude stad.

,,Violence is a tradition here'', zegt Pablo.

Zoals de regen in Nederland.

Pablo schrijft ook, zijn stem is hoog, zijn vader is dood.

Ik kijk naar de gezichten van twee mensen die vergeten zijn op te groeien en ik stel voor om elkaar nog eens te ontmoeten.

Op straat houden we een taxi aan. ,,Is dat niet gevaarlijk?'' vraag ik.

,,Sometimes everything is dangerous here'', zegt Pablo.

In de taxi vraag ik: ,,Ben je wel eens in het buitenland geweest?''

,,Ik heb een tijd in Israël gewoond'', zegt Diana.

,,Ben je joods?''

,,Nee, maar Israël is een van de weinige landen waarvoor Colombianen geen visum nodig hebben.''

Dat is de oplossing. Meer Colombianen naar het heilige land. Het idee dat een volk een eigen staat nodig heeft lijkt me achterhaald.

De laatste avond: pisco. Een drank uit Peru.

Confessies. Pablo was een jaar geleden verliefd op Diana, maar ze begreep zijn gedichten niet.

Ze zegt: ,,Je bent een goede psycholoog.''

Vertel mij wat. Dat schrijven loopt wel, maar mensen helpen, dat is mijn toekomst.

Pablo zegt: ,,Je citeerde in je boek Bob Dylan. I was so much older then. I'm younger than that now. Ik ben jonger, nu ik jou ken.''

,,Ik ook'', zeg ik, ,,nu ik jullie ken''.

Even beledig ik Diana door haar 29 te schatten, ze blijkt 24, dat heb je met dat niet willen opgroeien. Daar krijg je een oud gezicht van.

Haar handen zijn koud, haar ogen groot.

Voor Pablo is dit niet leuk, maar als schrijver zal hij er veel aan hebben. Lijden is een groot woord, maar een beetje pijn is onontbeerlijk.

Mooi is het niet van mij, maar ik ben de lezers van deze krant niet mijn goede daden verschuldigd. Juist mijn iets minder goede.

Diana flirt als een terrorist, ze haat dan ook alle regeringen.

We brengen Pablo naar huis. Hij beweert, en dat is sportief van hem, dat we vrienden voor het leven zullen zijn. Maar hij zegt ook dat hij niet zoals Poesjkin wil sterven, voor een vrouw.

Terwijl ik dit stukje typ, staat Diana alweer een klein uur in de badkamer.

Geweld mag een traditie zijn, liever niet in mijn douche.

Om de alinea klop ik op de deur. Stilte is toch een antwoord.

Ik laat me niet gek maken. In het ontevreden en toch hoopvolle gezicht van Diana die vergat op te groeien, herken ik iets van toekomst.

Ik moet naar Marrakech, maar eigenlijk wil ik hier niet meer weg.