Wat Seamus Heaney leerde van T.S. Eliot

Wanneer dichters over andere dichters schrijven, gaat het meestal toch over henzelf. De eigen poëzieopvatting wordt getoetst aan, en afgezet tegen die van geëerde voorgangers en gewaardeerde collega's, met als resultaat dat hun essays over poëzie uiteindelijk vooral beschrijven waar ze zelf staan. `Read me, don't read the other fellows,' zoals W.H. Auden het samenvatte.

Op het eerste gezicht lijkt dat bij Seamus Heaney, de Nobelprijswinnaar van 1995, anders. In Finders Keepers heeft hij een ruime keuze gemaakt uit zijn essays, die in het boek in drie delen uiteenvallen. Het eerste deel is het meest autobiografisch, en bevat essays over zijn jeugd en hoe poëzie daarin een rol speelde. `Learning from Eliot' is een van de bekendere. Hierin beschrijft Heaney hoe hij via Eliot ontdekte dat moderne poëzie niet altijd obscuur hoefde te zijn. Dat ging niet zonder slag of stoot, want op de katholieke kostschool was diens poëzie taboe. Een wereld ging voor hem open toen hij uiteindelijk Eliots gedichten leerde kennen. Dergelijke bijzondere momenten staan in verschillende essays uit dit deel centraal: poëzie als initiatie, feitelijk Bildungsessays.

Het (overigens omvangrijkste) tweede deel staat in het teken van gedicht-interpretatie. Heaney leest graag en grondig, ook om er als dichter zelf wijzer van te worden. Hij hecht aan ambiguïteit en wil de betekenisrijkheid van de poëzie beschermen tegen de ondubbelzinnige werkelijkheid. Het laatste deel bevat enkele kortere, niet eerder gepubliceerde stukken. Voornamelijk recensies, die thematisch eigenlijk niet goed in de bundeling passen, maar waar Heaney te zeer aan gehecht was om ze te laten varen.

Het eerste en het tweede deel vertegenwoordigen twee kanten van dezelfde medaille. Deel een mag autobiografisch zijn, het is onmiskenbaar de autobiografie van een dichter; en dat in deel twee over andermans werk gaat, neemt niet weg dat de persoonlijkheid van Heaney levensgroot aanwezig is.

`Eens gevonden blijft gevonden', betekent de titel. Heaney legt uit dat dat slaat op de dichter die een vondst doet, en het enthousiasme van de lezer die het gedicht leest. Hij is te bescheiden om op te merken dat hetzelfde geldt voor de stukken die hij in dit boek heeft samengebracht: die nemen ze ons niet meer af.

Seamus Heaney: Finders Keepers. Selected Prose 1971-2001. Faber & Faber, 416 blz. €24,15