Schat, mag ik de carrière even?

Nederland noemt zich graag een geëmancipeerd land. Maar in Turkije zijn veel meer vrouwelijke hoogleraren dan hier. Hoe komt dat? Ina Brouwer onderzoekt het in een interviewboek, maar praat zelf teveel.

Hoe kreeg ze het voor elkaar, die zware baan én kinderen? Cynthia Schneider, van 1998 tot 2001 Amerikaans ambassadeur in Nederland, verbaasde zich telkens als ze zo'n vraag kreeg. Om te plagen antwoordde ze dan, dat ze haar kinderen thuis in Amerika had achtergelaten, opgesloten in een kast. ,,En als ik over een paar jaar terugkom, haal ik ze er weer uit.''

Tegelijkertijd vond Schneider het `een tragedie' dat Nederlandse vrouwen nog steeds het gevoel hebben dat ze moeten kiezen: of een carrière, of het moederschap. Verwijzend naar de erfenis van de zeventiende eeuw van `vadertje' Jacob Cats, met zijn richtlijnen voor de goede huisvrouw en de goede moeder, constateert ze, in het interviewboek Het glazen plafond: ,,Ik heb het sterke vermoeden dat er in Nederland een soort idee-fixe bestaat, een soort sluimerende achterdocht tegen de verzorging van kinderen door een ander dan de moeder.'' Met als gevolg dat maar weinig vrouwen de top bereiken. Schneiders verbazing geldt ook de mannen die zich maar niet realiseren hoe afwijkend Nederland is – in vergelijking met de Verenigde Staten, maar ook vergeleken met veel landen in de Derde Wereld.

De afgelopen twintig jaar is Nederland veranderd van een huisvrouwenland, waar de meeste vrouwen stopten met werken zodra ze een kind kregen, in een land in de Europese subtop wat betreft het aantal werkende vrouwen (ruim 70 procent). Maar die vrouwen werken meestal in deeltijd en breken zelden door die laatste, onzichtbare barrière die `het glazen plafond' wordt genoemd. In de top van bedrijfsleven zitten nauwelijks vrouwen en het aandeel vrouwelijke hoogleraren (ongeveer 6 procent) is vergelijkbaar met dat in een land als Botswana en slechts eenderde van het percentage in Finland of Portugal. De politiek is een gunstige uitzondering, hoewel er in het huidige, demissionaire kabinet maar één vrouwelijke minister zit.

Jeugdjournaal

Om erachter te komen waarom dat glazen plafond in Nederland zo hard is, interviewde ex-politica en ambtenaar Ina Brouwer 21 `topvrouwen'. Ze maakt daarbij niet duidelijk wat precies het criterium is om in aanmerking te komen voor de kwalificatie `topvrouw'. Ambassadeur, minister, directeur van een groot bedrijf dat is duidelijk. Maar actrice of medewerker van het Jeugdjournaal? ,,Goh, ik bij de topvrouwen?'' reageert dan ook voormalig Jeugdjournaal-presentator Aldith Hunkar. Brouwer zelf werkte als directeur emancipatiebeleid op het ministerie van Sociale Zaken, dat onder meer de Commissie Dagindeling oprichtte om de discussie op gang te brengen over het overgeorganiseerde bestaan van werkende ouders. Daarvoor was ze de eerste vrouwelijke fractievoorzitter van de CPN in de Tweede Kamer en de eerste duo-lijsttrekker van GroenLinks.

Ook bij de geïnterviewden zitten veel `eerste vrouwen': Sylvia Tóth, eerste vrouw in Nederland die haar bedrijf naar de beurs bracht (,,Ik schoot door alle glazen plafonds heen, gewoon door nooit over vrouwenissues te praten.''); Yvonne van Rooy, eerste vrouwelijke staatssecretaris van Economische Zaken, (,,De eerste zijn heeft beslist voordelen. Het glazen plafond komt daarna pas weer in beeld.''); Winnie Sorgdrager, eerste vrouwelijke minister van Justitie, (,,Toen ik procureur-generaal werd, werd die functie ineens minder belangrijk in Arnhem.''); Jeltje van Nieuwenhoven, eerste vrouwelijke Kamervoorzitter, (,,Ik heb in mijn omgeving te vaak meegemaakt dat er druk voor nodig was om als meisje te kunnen doorstromen.''); Hannah Belliot, eerste zwarte wethouder van Amsterdam Centrum, (,,[Ik kom] uit de geschiedenis van vrouwen die nooit enig besef hebben gehad van een glazen plafond, dat je gewoon moet werken om te eten.'').

Brouwer gaat ervan uit dat vrouwen al van jongsaf aan een bijzondere ambitie moeten koesteren om door dat glazen plafond te kunnen breken. Alleen met serieuze meisjesdromen zou het lukken de top te bereiken. `Wie de middenweg niet kiest en bewust of onbewust toch ambitieuze doelen stelt, moet wel gedreven worden door iets anders. Iets wat inspireert en motiveert en je uittilt boven de algemene ambivalentie.' Als meisje spiegelde ze zichzelf aan twee helden: haar overgrootvader die op zee voer en haar grootmoeder die spil was in een gezin met negen kinderen.

Maar de topvrouwen die Brouwer interviewt blijken nauwelijks zo'n brandende meisjesambitie te hebben gehad: zij kwamen vaak zonder helden en min of meer bij toeval aan de top. ,,Je denkt eigenlijk niet over de toekomst na als kind. Ik wist eerder wat ik niet wilde'', zegt Sylvia Tóth. ,,Ik wist heel zeker dat ik geen huisvrouw wilde worden en niet arm wilde zijn.'' Winnie Sorgdrager vertelt dat het enige beeld dat zij als meisje had was dat ze zou gaan trouwen. Dat ze minister werd, was vooral omdat ze tegen Hans van Mierlo geen `nee' durfde te zeggen. Ook Van Nieuwenhoven vertelt hoe haar carrière door anderen werd ingegeven en dat iemand haar vroeg `Kamervoorzitter, is dat niet precies iets voor jou'. ,,Typisch vrouwelijk, geloof ik.''

Er is wel een verschil tussen de generatie van voor 1968 en die erna. Jongere vrouwen, zoals de politica Femke Halsema of de IT-topvrouw Claudia Zuiderwijk stellen meer voorwaarden aan hun werk, secundaire voorzieningen en partner. Terwijl de topvrouwen van de eerste generatie vaak geen kinderen hebben (Tóth, Van Nieuwenhoven, Van Rooy) of zich bewust beperkten tot één kind, omdat het anders niet met hun carrière te combineren zou zijn (Willeke van Ammelrooy; Neelie Kroes), is de generatie van na '68 minder bereid te kiezen tussen carrière en moederschap. Halsema bijvoorbeeld heeft, toen ze gevraagd werd als fractieleider voor GroenLinks, laten weten dat ze ook kinderen wil: ,,Ik eigen mij gewoon het recht toe om zwanger te worden. [...] Als het er van komt, vind ik dat het een collectief probleem is.'' En Claudia Zuiderwijk, moeder van drie kinderen, sprak met haar man af dat ook hij parttime ging werken. ,,Bij ieder kind maakten we de balans op.'' Vergelijk dat met Sorgdrager, die tijdens haar eerste baan nog tussen de middag naar huis ging om ,,een lunch met hapjes'' te maken voor haar man.

Blik van herkenning

Het is jammer dat de 21 interviews, die in totaal bijna 400 pagina's beslaan, veel te lang zijn, en maar voortkabbelen. Dat kun je een lezer niet aandoen. Korte gesprekken met duidelijke conclusies hadden het boek interessanter en leesbaarder gemaakt. Bovendien stelt Brouwer zichzelf te veel op de voorgrond. Wat interesseert het de lezer dat ze de weg niet kan vinden naar de villa van Willeke van Ammelrooy, het kantoor van Hannah Belliot en de flat van Aldith Hunkar? Of dat ze in een interview ,,een blik van herkenning'' opzet? Soms gaat ze middenin een gesprek doceren en constateert dan zelf: ,,Ik geloof dat ik college aan het geven ben... maar nu ben ik klaar!'' En telkens weer beschrijft ze haar eigen ervaringen: zo lang ze geen kinderen had ging alles goed, maar toen ze een dochter kreeg, werd het ingewikkeld om werk en privé te combineren. Omdat ze `volop moeder' wilde zijn, maar geen afstand wilde doen van haar politieke ambities introduceerde ze in 1993 het begrip duo-lijsttrekkerschap. Dit riep volgens Brouwer zo veel weerstand op (,,politiek na kinderbedtijd'' was het commentaar) dat ze na de verkiezingen plaats maakte voor Paul Rosenmöller.

Om de verklaring te vinden voor het glazen plafond had Brouwer meer moeten doen dan vrouwen interviewen die er doorheen zijn geschoten. Ze had ook vrouwen moeten ondervragen die, zoals ING-topman Ewald Kist het onlangs in Opzij verwoordde, last hebben van een `plakkende vloer': ze blijven steken op een laag niveau omdat ze zich niet verder ontwikkelen, bang zijn mee te doen en onvoldoende netwerken. Bovendien had Brouwer moeten kijken naar de universiteiten en de bedrijven waar vrouwen maar niet doorbreken. Houdt het old boys network hen tegen of wordt er voldoende gedaan om vrouwen een kans te geven? Shell bijvoorbeeld stelde zich in 1998 als eerste Nederlandse multinational ten doel dat binnen vijf jaar wereldwijd 20 procent vrouwen in topfuncties moesten zitten. Hoe staat het nu met die target?

Wellicht is het inderdaad de unieke erfenis van vadertje Cats (kinderen hebben hun moeder nodig) die veel vrouwen tegenhoudt op weg naar de top. Als ze zelf niet vinden dat ze er ten minste één werkdag per week voor hun kinderen moeten zijn, dan is er wel de omgeving die duidelijk maakt dat dit zou moeten. Je hebt een groot organisatietalent en een dikke huid nodig wil je kinderen en werk succesvol combineren. Zeker in een land waar scholen om drie uur uit gaan, kinderopvang nog in de kinderschoenen staat en een topdog geacht wordt ten minste voltijds werken.

Ina Brouwer: Het glazen plafond. Vrouwen aan de top, verlangens en obstakels. Boom, 432 blz. €24,50