Sartre

Menno Lievers' recensie van de Sartre-vertaling Het zijn en het niet van Frans de Haan (Boeken, 11.04.03) eindigt met de vraag: waarom heeft Sartre zoveel invloed gehad? Die vraag wil ik graag beantwoorden, uitgaande van de zin van Lievers `Echo's van Sartre's filosofie resoneerden vooral tegen de donkere achtergrond van de Tweede Wereldoorlog'.

Ja, dat is zeker waar voor wie de oorlog niet meemaakte en Sartre las in de jaren zeventig of nog later, want dan gaat het inderdaad om `echo's' en `achtergrond'. Maar allesbehalve voor wie, opduikend uit het leven onder vijandelijke bezetting, Sartre lazen in de eerste jaren na die oorlog en tijdens de koloniale oorlogen die daarop volgden rond 1945-1955. Voor hen was Sartre als een bliksemschicht die hun landschap deed oplichten, als een flits van herkenning: ja, zó is het leven, ons leven.

En waar ging het dan over, bij die naoorlogse zelfherkenning? Het adjectief `existentialistisch' werd destijds wel gebruikt als overtreffende trap voor gedurfd gedrag of gewaagde stellingname: wars van conventionele moraal en staand voor eigen, onafhankelijke keuzen. Voor mij was vooral belangrijk, dat ik bij Sartre het gevoel uit de (Japanse) bezettingstijd terugvond van eenzaamheid, op jezelf teruggeworpen zijn in een vijandige wereld, en daarbij van angst voor de blik van anderen. Je probeerde je immers altijd onopvallend te gedragen, voorbij te lopen zonder gezien te worden, je in jezelf te verschuilen, waarbij je altijd je kwetsbaarheid voelde, de mogelijkheid herkend te worden als buitenstaander, of als vijand. Uit wat ik las over Sartre, viel mij als eerste op wat er stond over die `blik van de ander', over het tot object worden onder die blik. Dat lezend, voelde ik weer hoe ik kon verstijven bij het besef door vreemden bekeken te worden. En direct daarop aansluitend hervond ik de beleving van de vreemdheid van de wereld en de dingen, het er niet bij horen, de afstandelijkheid van het eigen bestaan.

Dat was in 1946 en is dus vooral van historisch belang. Voor de waardering van Sartre nù is misschien zijn fenomenologie een probleem en aanleiding tot het oordeel dat L'être et le néant, zoals Lievers meent, een `gammel bouwwerk' is en `overkomt als een onontwarbare kluwen wol'. Maar dit oordeel toont onvoldoende begrip voor de fenomenologische denkwijze. Ter toelichting neem ik Lievers' passage over het verschil tussen water uit de kraan en water in een kruik waarvoor iemand kilometers heeft moeten sjouwen. Hij schrijft: `Het gaat om hetzelfde ding, water, maar de zijnsstatus van kraanwater en bronwater is een hele andere. Sartre, die in een wereld van louter verschijningen leeft, kan dat onderscheid niet maken.'

Maar je kàn, fenomenologisch denkend, niet zeggen dat het bij kraanwater en bronwater om `hetzelfde ding' gaat. Waar het om gaat, is, in het eerste geval, een vloeistof die we dagelijkse op honderden manieren achteloos gebruiken en onbekommerd verspillen, terwijl het tweede geval een kostbare schat is waarmee behoedzaam en zuinig wordt omgegaan. Die twee kwamen vroeger niet tegelijk voor, anders waren er allicht verschillende namen aan gegeven. Het zijn in hun `eerste structuur', zoals J.H. van den Berg het noemde, verschillende zaken. Ons instrumentele en objectiverende denken is al sinds eeuwen over die eerste structuur van de dingen heen gestapt om een `tweede structuur' te ontwerpen, een werkelijkheid waarin de eindeloze schakering van ervaringsgegevens wordt gezeefd en geordend tot aftelbare eenheden in wetmatig of althans onderzoekbaar verband. Op die tweede structuur zijn wetenschap, techniek en de hele huidige cultuur gegrondvest.

Maar wie in die cultuur een onbehagen beleeft, wie achter deze onttoverde werkelijkheid naar nieuwe inspiratie zoekt, naar zingeving en moraal, die doet er goed aan naar de dingen in hun eerste structuur, naar de dingen zèlf, terug te keren. Velen die met hedendaagse ogen naar woordkeus en taalgebruik kijken, zullen wellicht dit tweede verhaal `wolliger' vinden, en van filosofisch mindere kwaliteit. Maar verbale wolligheid en filosofische kwaliteit zijn, als zoveel kwalificaties, in the eye of the beholder. Ieder brengt zijn eigen waarderingswijze en -normen mee, die nauw samenhangen met de eigen persoonlijkheid en voorgeschiedenis. Mij dunkt, dat er ook vandaag nog voldoende fenomenologisch denkende lezers moeten zijn.