Nooit meer schrijven

Het wordt voor schrijvers steeds lastiger om in de vergetelheid te raken. Zij die na een veelbelovend begin ophielden met publiceren en een anoniem leven leidden, worden nu in Nederland weer onder de aandacht gebracht in een serie interviews die Joris van Casteren maakt. In België heeft Stefan Brijs die taak op zich genomen. In 1998 verscheen zijn Kruistochten, een bundeling van portretten van sinds hun dood `verwaarloosde schrijvers'. Zat daar nog een schrijver als Richard Minne tussen, in het recente vervolg, De vergeethoek, duikt Brijs dieper in de krochten van de Vlaamse literatuurgeschiedenis. Geen van de negentien auteurs in het boek roept nog iets van herkenning op. De meesten zijn zelfs in naslagwerken weggevallen. Toch vraagt Brijs zich af waarom juist zij in de `plooien van de geschiedenis' verdwenen.

De antwoorden komen in bondige levensschetsen, door Brijs zorgzaam samengesteld uit de luttele, overgeleverde feiten. De belangrijkste aanwijzing is dat Alfons Jeurissen, Kamiel Top, Gust van Roosbroeck, Hugo van Walden, Caesar Gezelle en anderen in hun eigen tijd, de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, al marginale auteurs in Vlaanderen waren. Dat heeft zijn redenen. Vaak, heel vaak, is er sprake van `een wankele gezondheid'. Er zijn ook levens geknakt na aangedaan onrecht. Een aantal schrijvers werd na de Eerste Wereldoorlog door de overheid uit een ambtelijke functie gezet, omdat ze blijk hadden gegeven van sympathieën voor de flaminganten of daarvan werden verdacht. Er zijn er die omkwamen in de volgende grote oorlog zonder zich ooit te hebben kunnen ontplooien. En er zitten nog harde werkers onder, met soms grote verdiensten voor het literaire leven. André de Ridder bijvoorbeeld, was biograaf, `pionier' in het genre van de literaire reportage, ontdekker van diverse buitenlandse schrijvers en belangenbehartiger van de Vlaamse literatuur in het buitenland. Na zijn dood werden in zijn rouwbrief veel van zijn functies en titels wegens plaatsgebrek samengevat als `enzovoorts'.

De negentien blijken niet voor niets marginaal, zo verklaart Brijs, die hun werk opnieuw las. Hoe barmhartig hij zich in zijn speurwerk ook betoont, hij dekt geen falen toe. Brijs strooit met typeringen als: `De gedichten zijn eerder knikkers dan parels'; de auteur kwinkeleert `als een gedrogeerde nachtegaal'; zijn personages filosoferen `met de diepgang van een walnoot'.

Voor één schrijver komt Brijs wel in het geding. Roger van de Velde (1925-1970) was een slachtoffer van de medische wetenschap. Bij een operatie krijgt hij het experimentele middel palfium toegediend, dat buitengewoon verslavend blijkt. Het maakt hem tot een boefje dat doktersvoorschriften vervalst en dat steeds langer wordt opgesloten. Van de Velde schrijft twee verhalenbundels, over de wantoestanden in de gevangenis en op de psychiatrische afdeling. Hij publiceert ook een pamflet over de censuur en de mensonwaardige interneringsprocedures die hij ondervindt. Dat levert hem zoveel aandacht van belangrijke auteurs op dat hij vrijkomt. Nog geen twee maanden later eindigt zijn leven na een overdosis.

Niet lang nadat Brijs diens turbulente levensverhaal in De Standaard publiceerde, verschenen twee heruitgaven van Van de Veldes werk. Voor de anderen in De vergeethoek blijft de kans aanwezig dat Brijs' eresaluut niet het allerlaatste literaire geluid is dat ze veroorzaakten. Er is hoop voor verguisden in de literatuur, vroeger en nu, Brijs incluis. Zijn debuutroman ligt sinds kort bij De Slegte.

Stefan Brijs: De vergeethoek. Atlas, 192 blz. €15,–