Nieuweling wil adoptiemarkt openbreken

Zelf een kind uit een ander land adopteren kan niet zomaar. Dat moet via adoptiebureaus. En deze hebben de wereld onderling verdeeld met harde claims. Voor het eerst wordt het systeem aangevochten. ,,Wie het eerst riep mocht een land hebben.''

Op 26 maart kwamen de adoptie-organisaties en twee ambtenaren van het ministerie van Justitie bijeen. Ze wilden eens nagaan welke adoptie-organisatie nu eigenlijk in welk land werkt en waarom uit sommige landen niemand kinderen haalde. Sommige landen waren `over'. ,,Wie het eerst riep mocht een land hebben, ook al is adoptie uit dat land nog niet mogelijk'', zegt Macky Schouten, voorzitter van de Nederlandse Adoptiestichting (NAS). ,,Een organisatie claimde bijvoorbeeld de Verenigde Staten, maar daar hebben ze de capaciteit helemaal niet voor.'' Als nieuwkomer verbaasde ze zich over de gang van zaken. De wereld werd voor haar ogen verdeeld en voor de nieuwe stichting bleef weinig over.

De NAS diende gisteren een klacht in bij de mededingingsautoriteit NMa. Door de huidige manier van werken zouden volgens Schouten kinderen die geadopteerd kunnen worden, nu in tehuizen blijven zitten, ,,omdat het belang van individuele organisaties geschaad zou kunnen worden.''

Neem Zuid-Afrika. Adoptiebureau Vereniging Wereldkinderen werkt daar. ,,In dit enorme land dat vele honderdduizenden aidswezen kent'', schrijft de NAS, heeft die vereniging slechts contact met één kindertehuis, van waaruit alleen ouders van christelijke huize een kind kunnen adopteren. Verschillende andere vergunninghouders vroegen aan Wereldkinderen toestemming om ook in Zuid-Afrika te mogen werken, het land was immers groot genoeg. Die toestemming werd telkens geweigerd.

Er waren Nederlandse ouders die zelf een Zuid-Afrikaans kindertehuis vonden en daaruit wilden adopteren. Dat moeten ze dan via Wereldkinderen doen, dat hoort zo. Na een paar zogenoemde deelbemiddelingen eiste de adoptievereniging dat het tehuis een overeenkomst met Wereldkinderen zou tekenen. Het kindertehuis weigerde dat, vond dat Wereldkinderen voor zichzelf te veel geld rekende. Toen zei Wereldkinderen tegen dat kindertehuis dat er vanuit dat tehuis dan helemaal geen kinderen meer naar Nederland zouden komen. Zij hadden er immers het alleenrecht.

Een ander voorbeeld betreft Bolivia. Sinds januari is het land open voor adoptie. De Stichting Kind en Toekomst, naast Wereldkinderen de enige met betaald personeel, had contact met adoptiebemiddelaars. Ze trokken zich terug omdat Wereldkinderen een claim had neergelegd. Ook de NAS zegt sinds ruim twee jaar contacten met personen en instanties in Bolivia te onderhouden. Niemand in Bolivia kent Wereldkinderen, zegt de NAS, althans niemand bij de Boliviaanse ambassade in Den Haag of bij de Nederlandse ambassade in La Paz. Volgens de claimlijst van Justitie heeft Wereldkinderen het alleenrecht in 32 landen. Volgens hun website kunnen ouders via het bureau slechts uit 14 landen adopteren. Deels is dit omdat het opstarten van adoptiebemiddeling in een land ,,een langdurige en kostbare kwestie is'', legt een woordvoerster van Justitie uit.

Wereldkinderen wil inhoudelijk niet op de voorbeelden ingaan.

In 1995 ondertekenden de adoptiestichtingen een convenant. Dat geldt nog steeds. Het houdt in dat als een organisatie in een bepaald land wil gaan werken, ze eerst bij het ministerie van Justitie te rade moet gaan of er een claim op ligt. Als dat zo is, mag ze niet vanuit het betreffende land werken, tenzij de claimhouder expliciet toestemming geeft.

,,Dat was toen een idee van het ministerie van Justitie'', herinnert Peter Stuvel zich. Stuvel is secretaris bij Stichting Hogar, een kleine adoptieorganisatie die in Colombia bemiddelt. Voor die tijd hadden de organisaties een gentlemen's agreement dat ze niet in elkaars vaarwater zouden zitten, ze zouden niet van dezelfde contacten gebruikmaken. Er heerste onduidelijkheid over wat nu officiële contacten waren, de organisaties werkten soms slecht samen. ,,Om onduidelijkheid over die overeenkomst te stoppen hebben we een convenant getekend'', zegt Stuvel. In ieder land hooguit één vergunninghouder, gold vanaf toen.

De zes gedaagde adoptiebemiddelaars zeggen in een gezamenlijke reactie vandaag verbaasd te zijn over de klacht die gisteren bij de mededingingsautoriteit terechtkwam. ,,Het convenant werkt prima'', zeggen ze. En voor het adoptieland is het overzichtelijk als het slechts met één Nederlandse instantie hoeft te praten.

Ook de woordvoerster van Justitie zegt zich te verbazen over de klacht, die eveneens tegen het ministerie is gericht omdat het de claimlijsten registreert. De vergunninghouders zijn volgens de wet immers verplicht samen te werken. Schouten van de NAS zegt jarenlang volkomen genegeerd te zijn door de andere vergunninghouders, ,,Er was geen gesprek mogelijk''. De zes adoptiebemiddelaars zeggen dat dat niet zo is.

Stuvel zegt dat hij er persoonlijk geen moeite mee zou hebben als stichting Hogar in een land zou werken waaruit zijn organisatie weinig adoptiekinderen zou kunnen halen en een andere organisatie daar ook zou willen bemiddelen. Volgens hem is dat het verschil tussen de kleinere stichtingen die met vrijwilligers werken en de twee grotere professionele adoptie-organisaties. ,,Die hebben een groot, duur pand dat ze moeten betalen en veel mensen in dienst. Zij hebben, denk ik, meer moeite met concurrentie.''

Ook Stan Meuwese, directeur van de Nederlandse afdeling van Defense for Children International, dat opkomt voor kinderrechten, zegt dat het bewaken van ieders `eigen land' voortkomt uit angst voor concurrentie. ,,Dat heeft met opbrengsten te maken. Ik zou de bemiddelaars aanraden niet zo dwangmatig met het convenant om te gaan en meer met hun verstand.''