Meester van de papieren wereld

Door zijn vriend en concurrent Abraham Ortelius werd hij in 1571 `den besten geographum onses tijts' genoemd en iets later zelfs `de Ptolemaeus van onze eeuw'. Dat was in een tijd dat kaarten niet langer alleen bestemd waren voor commerciële en militaire doeleinden, voor navigatie en om diplomatieke, fiscale en waterstaatkundige kwesties op te lossen. Kaarten werden in toenemende mate begeerd door ontwikkelde liefhebbers die er hele verzamelingen van aanlegden en de mooiste exemplaren aan de wand hingen. De toenemende vraag gaf de aanzet tot een cartografische industrie, die zich ontwikkelde in steden als Keulen, Frankfurt, Antwerpen en die uiteindelijk haar grootste omvang kreeg in Amsterdam. Gerard Mercator (1512-1594) kan worden aangemerkt als de oervader van deze traditie. De meeste bekendheid verwierf hij met een vinding die later zijn naam heeft gekregen: de Mercatorprojectie, een van de vele en altijd vertekenende methodes om de bolvorm van de aarde op een plat vlak te projecteren. Hierbij worden de parallellen loodrecht op de meridianen weergegeven en wordt de afstand tussen de meridianen groter naarmate ze dichter bij de polen liggen.

Ook twee andere, nu vanzelfsprekende vindingen, of liever gezegd projecten, danken we aan Mercator. Hij realiseerde zich dat men, om de aarde in kaart te brengen, niet alleen de beschikking moest hebben over de meest recente en betrouwbare geografische informatie, maar ook dat al dat materiaal – oude en nieuwe kaarten, rapporten van reizen te land en ter zee –, geüniformeerd moest worden. De kaarten moesten eenzelfde type projectie hebben en op eenzelfde schaal worden gebracht. Hieraan heeft hij zijn arbeidzame leven gewijd.

Mercator werd in 1519 geboren in het piepkleine stadje Gangelt, niet ver van Sittard. Vader Hubert Kremer was daar schoenmaker. Een oom zag wel wat in de jonge Gerard en zorgde ervoor dat hij onder andere in Den Bosch naar school kon. Later studeerde hij filosofie en na een onderbreking wiskunde onder Gemma Frisius aan de universiteit van Leuven. Hij begon geld te verdienen met het geven van privé-lessen en met het maken van wetenschappelijke geometrische instrumenten, waarbij hij zich specialiseerde in aard- en hemelglobes. Hij raakte in contact met kringen rond het hof van de landvoogdes Maria van Hongarije en verkreeg daar ook aanzienlijke opdrachten, onder andere van keizer Karel V. Na een aantal omzwervingen vestigde hij zich, inmiddels protestant geworden, in 1552 met zijn gezin in Duisburg, een kleine humanistische oase in het hertogdom Kleef.

Mercator maakte deel uit van een netwerk van geleerde geografen, filologen, drukkers en uitgevers. In zijn cartografische ontwikkeling zien we hoe hij langzaam maar zeker het oude Ptolemeïsche wereldbeeld verlaat. Dit was weliswaar een standaardbeeld van de wereld met een grote autoriteit, maar er klopte bij nader inzien van alles niet en grote delen van de aarde, waaronder Amerika, kwamen er niet op voor. De ontdekkingsreizen brachten Mercator tot het inzicht dat er een nieuw kaartbeeld voor de hele wereld zou moeten komen, een universele papieren wereld.

Behalve de moeilijkheden om gegevens bij elkaar te krijgen en de verschillende kaarten te homogeniseren, stuitte hij op nog een probleem. Hoe meer landen, streken, plaatsen, zeeën en rivieren men wil afbeelden hoe meer het kaartbeeld verstopt raakte. Daarom ontwikkelde hij een nieuw letterbeeld. Niet alleen de hiërarchie moest duidelijk worden (de landen groot, steden groter dan dorpen), maar de letter moest helderder worden. Hij propageerde hiervoor het cursieve schrift dat veel duidelijker was dan de gothische letters die tot dan toe werden gebruikt. Mercator schreef zelfs een compact leerboek voor dit schrift, Literarum latinarum, dat in 1541 in Leuven verscheen.

Mercator was een consciëntieus man. Zijn precisie, de trage arbeid bij het interpreteren van de duizenden gegevens die hij kreeg, namen zo veel tijd in beslag dat zijn werk wel eens in conflict kwam met zijn commerciële belangen. Als geleerde cartograaf ontving hij soms geld van beschermheren en kreeg hij ook opdrachten, maar een succesvolle kaart, in hoge oplage gedrukt kon veel lucratiever zijn dan een arbeidsintensieve globe. Aan die globes schijnt hij weinig verdiend te hebben, zijn atlas begon pas na zijn dood geld op te leveren, maar de kaart van het Heilige Land (1537), een wereldkaart (1538) en een kaart van Europa (1554), alle op groot formaat, werden een succes.

Mercators meest ambitieuze project was een allesomvattende kosmografie, met een beschrijving van de schepping, van de hemel, de aarde, een Genealogicon (een geschiedenis van de verschillende staten) en tot slot een chronologie van de belangrijke wereldgebeurtenissen. Dit enorme project heeft hij niet geklaard; een jaar na zijn dood in 1595 verscheen het eerste deel van deze kosmografie met de titel Atlas met 102 geüniformeerde deelkaarten van Europa. Ook de term atlas, voor een boek of een verzameling kaarten, danken we dus aan Mercator. Er zijn verschillende mythologische atlassen, onder wie de titaan, die voor straf het hemelgewelf op zijn schouders torst.

Het succes liet op zich wachten. De kopers kozen eerder voor het Theatrum Orbis Terrarum van Abraham Ortelius. Pas in 1606, toen de Amsterdamse cartograaf Jodocus Hondius de platen had aangekocht en het aantal kaarten had uitgebreid, kwam het succes. Tot 1641 publiceerde Hondius 29 edities in het Nederlands, Latijn, Frans, Duits en Engels. Ook gaf hij een editie op zakformaat uit.

Aan de biografie van Mercator door Nicolas Crane ligt geen nieuw bronnenonderzoek ten grondslag; Crane baseert zich op de secondaire literatuur. Het probleem met dit boek is dat er veel meer te zeggen is over het werk van een geleerde als Mercator dan over zijn persoonlijke leven. Crane is dan ook het meest geslaagd in de beschrijving van Mercator als vakman, van zijn ambities en werkwijze. Jammer is daarbij dat het boek summier geïllustreerd is: veel van Mercators problemen en oplossingen zouden inzichtelijker gemaakt kunnen worden met tekeningen en cartografische voorbeelden.

Wat het persoonlijke leven van Mercator betreft heeft Crane wel een leiddraad aan de feitelijke familiegeschiedenis, aan brieven en aan lovende voorwoorden in Mercators boeken. Die laatste zijn echter per definitie positief van karakter, zodat er wel een uiterst gunstig beeld van de man moest ontstaan. Met veel misschienen en wellichten ontstaat er wel een soort beeld van de man, maar dit blijft erg hypothetisch. Crane's voortdurend hameren op Mercators afkomst als `arme schoenlapperszoon' begint te irriteren. Zijn vader was schoenmaker, een eerzaam beroep waarvoor men de nodige vakkenis moest hebben en lid zijn van een gilde. Waarom Crane dit een `nobel, mysterieus vak' noemt is mij een raadsel. En dat schoenmakers evenals herders `eenlingen' waren, die een solitair meditatief leven leidden is romantische onzin. De suggestie dat we hier met het succesverhaal van arm wonderkind, `een pauper' die zich ontpopt tot groot geleerde is wel erg dik en pathetisch aangezet.

Crane ziet veel symboliek in allerlei triviale zaken. Dat sluit aan bij het historische decor waartegen hij Mercator afzet. Dat is dramatisch van coloriet. Natuurlijk, de zestiende eeuw met zijn godsdiensttwisten en de strijd van Karel V en Filips II om in politiek, militair en godsdienstig opzicht greep te krijgen op hun noordelijke bezittingen was chaotisch. Het is waar, Mercator werd in 1543 beschuldigd van lutheranisme en zeven maanden gevangen gezet, hij was wel eens ziek en het was vroeger wel eens koud. Maar dat die hele zestiende eeuw alleen maar bestond uit oorlogen, hongersnood, epidemieën en rampzalige winters is nou ook weer overdreven.

Nicolas Crane: Mercator. De man die de aarde in kaart bracht. (Uit het Engels vertaald door Jos den Bekker) Ambo/Manteau, 365 blz. €36,90