Kernbommen in de ruimte

Op 16 juli 1945 vond bij Alamogordo, in de Amerikaanse staat New Mexico, de eerste experimentele kernexplosie plaats. Kort daarna kreeg Stanislaw Ulam, een van de natuurkundigen die in het nabije Los Alamos aan de ontwikkeling van de atoombom had gewerkt, een origineel idee. Was het niet mogelijk om via mini-kernexplosies raketten aan te drijven? Tien jaar later schreef Ulam er met collega Cornelius Everett een zeer geheim rapport over: On a Method of Propulsion of Projectiles by Means of External Nuclear Explosions. In 1956 vormde zich een groep wetenschappers die dit soort kernvoortstuwing moest onderzoeken.

Project Orion werd geleid door General Atomics, een afdeling van General Dynamics die in 1955 door Los Alamos-veteraan Frederic de Hoffmann was opgericht voor de ontwikkeling van commerciële kernreactoren. Financier was de Advanced Research Project Agency (ARPA). De drijvende kracht achter het project was Theodore Taylor, expert in het maken van kleine kernbommen. Een ander groepslid was de bekende Britse fysicus Freeman Dyson, wiens zoon nu op basis van interviews en deels gedeclassificeerd archiefmateriaal een boek over dit unieke onderzoekproject heeft geschreven.

Het idee was om aan de achterzijde van een raket met bepaalde tussenpozen een mini-kernbom uit te stoten, die op een afstand van bijvoorbeeld vijftig meter explodeerde. Aan de achterzijde bevond zich ook een grote metalen schijf die de druk van de explosies opving en de raket steeds een stoot voorwaarts gaf. Deze vorm van kernvoortstuwing was energetisch zeer efficiënt, maar zou raket en bemanning blootstellen aan zware schokken. Deze moesten via een systeem van schokdempers worden omgezet in tolereerbare krachten.

De onderzoekers bouwden modellen waarmee deze puls-voortstuwing via chemische explosies werd beproefd. Enkele modellen, die veel op het maanschip Columbiad van Jules Verne leken, werden vernietigd, maar in november 1959 schoot een model naar een hoogte van honderd meter. De onderzoekers meenden al in 1960 een model met kernbommetjes vanuit een vliegtuig of ballon te kunnen testen. Twee jaar later zou een onbemand model via vijfhonderd kernexplosies in een baan om de aarde kunnen komen. Dan zou men een raket voor een bemande reis naar de maan kunnen bouwen.

Hoe absurd deze explosievoortstuwing ook lijkt, de Orion-fysici waren ervan overtuigd dat hij eenvoudiger en goedkoper was dan voortstuwing door chemische brandstoffen. De publiciteitsgevoelige NASA zag echter weinig heil in deze ontwikkeling. Daar kwam bij dat er een duidelijke scheiding tussen civiele en militaire ruimteprojecten begon te ontstaan. Doordat Project Orion van beide iets (te weinig) had, viel het tussen wal en schip. De doodsteek kwam in augustus 1963, toen de VS, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië het Kernstopverdrag ondertekenden. De kernvoorstuwing kon niet meer worden getest. Project Orion werd in april 1965 officieel beëindigd. De geheimhouding werd voor een deel opgeheven, zodat enkele rapporten en artikelen ook het grote publiek van dit opmerkelijk zijpad in de ruimtevaart op de hoogte konden brengen. Door de wedloop om de maan (1961-1969) raakte het project vrij snel vergeten. Het zeer gedetailleerde Project Orion brengt het nu voor het eerst weer onder de aandacht.

George Dyson: Project Orion. Allen Lane/Penguin, 345 blz. €26,95