`Ik wil mezelf verliezen'

De Britse reisschrijver en romancier Colin Thubron kent geen angst als hij onderweg is. Maar in zijn romans ondergaan zijn personages het tegendeel. ,,Je moet je karakter naar achteren duwen.''

Schrijver Colin Thubron (Londen, 1939) heeft mooie antecedenten. Aan moederszijde is hij een afstammeling van de zeventiende-eeuwse dichter-toneelschrijver John Dryden en zijn verre voorvader is Samuel Morse, de Amerikaanse uitvinder van het morse-alfabet. Een schrijver met de genen van een dichter en de uitvinder van een taalcode – dat belooft alle goeds. Thubron verenigt in zich de lyricus en de scherpzinnige analyticus.

Vanaf zijn vroegste jeugd heeft Thubron gereisd. Als schooljongen woonde hij in Amerika en Canada, waar zijn vader een hoge functie vervulde in diplomatieke dienst. Zijn middelbareschooltijd bracht hij op ouderlijk gezag door op een voorname Engelse boarding school. ,,Soms zag ik mijn vader en moeder in zeven maanden niet'', zegt Thubron, tijdens een kort verblijf in Amsterdam om de vertaling van zijn nieuwste boek De laatste stad (To the Last City) te vieren. ,,Ik vloog talloze keren heen en weer tussen Amerika en Engeland. Dat versterkte mijn gevoel van onafhankelijkheid en vooral het gemak waarmee ik alleen kon zijn.''

Thubron is een Engelse gentleman, hij zou zo ergens in de provincie in een countryhome kunnen wonen. In uiterlijk lijkt hij op die andere Engelse reisschrijver, Jonathan Raban. En er is nog een overeenkomst: beiden zijn verstokte eenzaten. Ik vraag Thubron of hij zich in die gelijkenis herkent. ,,Ik heb er nooit echt over nagedacht, maar ik heb wel een verklaring voor het feit dat een generatie Engelse schrijvers, zoals Raban yes, indeed, Bruce Chatwin, Paul Theroux, Wilfred Thesinger en nog een aantal allemaal tot dezelfde kringen behoren. Ze komen uit de upper-middle class, hebben op een kostschool gezeten, waren losgesneden van familiebanden en konden zichzelf al vroeg redden. Onze achtergrond is dezelfde. Bovendien: we wilden ook weg van het beklemmende eiland dat Groot-Brittannië is. Die afkomst geeft ons een tikje arrogantie, ik geef het toe. Daarmee maken wij ons op een bepaalde manier ongrijpbaar. Ik ben nooit getrouwd geweest, mijn vriendin woont in Pennsylvania en ik in Londen.''

Lichtende tuin

De eerste reizen die Thubron als twintigjarige maakte, waren naar het Nabije Oosten, Libanon, Damascus, Jeruzalem. Sinds de lagere school is hij gefascineerd door de geslotenheid van die landen: ,,Als je door de straten van Libanon of Damascus loopt, dan zie je lange rijen dichte muren. Dat boeit me. Open je een poort in die muur of staat er bij toeval een deur open, dan biedt zich een prachtig perspectief van een donkere gang die naar een lichtende tuin loopt. Daar stroomt glinsterend water uit een fontein, daar rijzen palmbomen en bloeiende planten op.

,,Als ik reis, probeer ik mezelf te verliezen. Daarom kom je in mijn reisboeken nagenoeg geen persoonlijke informatie tegen. Ik ben gefascineerd door het land waar ik doorheen trek en mijn eigen besognes doen er dan niet toe. Je moet je eigen karakter niet op de voorgrond plaatsen, maar naar achteren duwen. Ik houd niet van, wat ik noem, the soft tragic in reisverhalen. Gedoe over eten, restaurants, geklaag over het weer, vertragingen met het vliegtuig of de trein. Er gaat veel verloren als je jezelf in het middelpunt plaatst. Alle energie heb ik nodig om diep in de geheimen van het land door te dringen.''

Een van Thubrons mooiste reisboeken is Behind the Wall (Achter de Muur), zijn persoonlijke ontdekking van China. Maanden is hij onderweg, hij reist per trein of bus, neemt de boot over de Gele Rivier en komt terecht in verre uithoeken. Het opmerkelijke van dit boek is dat elk spoor van emotie ontbreekt. Nooit is Thubron bang of eenzaam. Hij zuigt zich vol met de omgeving en doet daarvan verslag in helder proza vol betekenisrijke details. Hij heeft zelfs Chinees geleerd om deze reis halverwege de jaren tachtig te kunnen maken.

Zijn methode is even simpel als effectief: hij wil het beeld van de Chinese bevolking dat hij kent uit boeken en documentaires toetsen aan zijn eigen ervaringen. Vooral de wreedheid van de Chinezen, zowel jegens elkaar, jegens de bewoners van omringende landen zoals Tibet, als ook jegens dieren, wil hij proberen te doorgronden. Hij zegt: ,,Ik confronteer mezelf met het land, ik wil het kunnen begrijpen. Op de lagere school zag ik op de wereldkaart die grote, lege vlakten van China en Rusland. Vanaf dat ogenblik moest ik erheen.

,,Natuurlijk is er altijd angst aanwezig. Maar in een bepaald opzicht kán er niets misgaan op reis, want alles is van waarde, alles, zelfs de grootste tegenslag, kan kopij opleveren. Ik ben dan als een journalist. Op mijn schouder zit bij wijze van spreken een klein aapje dat bij alles opspringt en roept: `Kopij! Een verhaal!' Dat aapje danst, verwelkomt en zegent de gebeurtenissen. De risico's die ik neem, worden steeds groter. Ik lijk soms wel een oorlogsverslaggever. Meestal vlak ik mezelf uit en dan moet het aapje kijken en waarnemen, en het moet mij bovenal opporren. Het liefste reis ik met de bus. Het is altijd een gok wie er naast je komt zitten. Ik raak meestal aan de praat en zo ontstaat mijn verhaal. Het is een kwestie van toeval, vaak heel gunstig toeval.''

De `oeroude Chinese genadeloosheid', zoals Thubron schrijft, heeft hem die hele reis niet losgelaten: ,,Het zijn mensen zoals wij, met ogen, mond, een gestalte, en toch zijn ze volkomen anders. Hun eetgewoonten zijn bizar; ze eten alles wat los en vast zit. Ratten, honden, slangen. Dat ik alleen reis, wekte allerwegen verbazing. Een man in de trein keek mij eens urenlang recht in het gezicht en ik hoorde hem mompelen: `In zijn eentje, hij is in zijn eentje.' En omdat je alleen bent, word je vaak uitgenodigd, zeker in de kleine dorpen. Daar leer je de zeden, gewoonten en gebruiken kennen. Wanneer ik terug ben, mijn aantekeningen bekijk en aan mijn boek ga schrijven, is het moeilijk voorstelbaar dat ik dat allemaal heb gedaan.

,,Aan de bron van elke reis ligt onderzoek. China wilde ik bezoeken om het effect van de Culturele Revolutie en de gevolgen van de machtswellust van Mao Zedong te analyseren. Ik reisde naar Rusland, zoals ik heb beschreven in Among the Russians, om het gehucht te bezoeken waar Lenin werd geboren. Ik ging dus niet voor de architectuur, maar puur om erachter te komen of er van Lenin nog sporen waren in het toenmalige Simbirsk. Helemaal niets.''

Inca-stad

Al kent Thubron ogenschijnlijk geen angst, het wonderlijke is dat zijn romanpersonages die wel kennen. Naast reisboeken publiceerde hij fictie, zoals Zon, sta stil (Turning Back the Sun) en Afstand (Distance). Zowel in Zon, sta stil als in het nieuwste De laatste stad beschrijft Thubron een kleine groep mensen die door de vernietigende kracht van de omgeving, in beide gevallen het oerwoud van respectievelijk Afrika en Peru, bedreigd wordt. In De laatste stad willen de reizigers de beroemde, bijna onvindbare Inca-stad Vilcabamba opsporen. De tocht kost een vrouw het leven. ,,In De laatste stad ken ik mijn angsten en onzekerheden toe aan de personages,'' zegt Thubron. ,,Een reisboek moet tight zijn, strak en vol spankracht. In de romans laat ik meer emoties toe en componeer ik uiteenlopende personages met elk een eigen stem.''

Thubrons gezicht is getekend, de zon heeft zijn huid getaand. Opeens lichten zijn ogen op: ,,Ik ga binnenkort een nieuwe reis maken, ik ga een deel van de befaamde Zijderoute volgen. Er is een stem in mijn hoofd die zegt: `Jij moet dat doen.' Bij de voorbereidingen ontdekte ik een boeddhistisch klooster in China, dat is bijzonder. Ik heb besloten langs de Zijderoute de verschillende religies op te sporen en te beschrijven, niet als elkaars tegengestelden zoals christendom en boeddhisme, maar in hun kleine, graduele verschillen. Er zijn nooit keiharde grenzen. Er zijn geleidelijke overgangen. Ik wil graag weten in welk geloof de mensen vertrouwen om hoop te vinden.''

De boeken van Colin Thubron zijn verschenen bij De Arbeiderspers en Atlas. `De laatste stad' werd vertaald door Marijke Versluys. 190 blz. €19,90